De cameraval

Voor ons vertrek naar Canada zaten we ons al te verheugen. Wat zou er te zien zijn als je een cameraval ophangt bij je huis in de wildernis? Welke dieren blijken er dan ineens rond het huis te spoken bij nacht en ontij, terwijl je zelf niets vermoedend op één oor ligt?

DSC_0852-bewerktDe cameraval

De verwachting was vooraf dat veel van het gedierte zich moeilijk zou laten zien. We hadden toen niet kunnen vermoeden dat je voor het meeste wild helemaal geen cameraval nodig hebt. Maar, voor dat je als lezer teleurgesteld je ogen van het scherm laat dwalen, wil ik toch even de aandacht vragen voor de foto’s die de val uiteindelijk opleverde. Ik moet wel opmerken dat het niet meeviel om dieren voor de camera te krijgen. Rond de blokhut was het blijkbaar ook ‘s nachts doodstil. Daar konden de met pindakaas besmeerde takjes in het vizier van de camera ook niets aan veranderen. Alleen de honden van de buren waren zo vriendelijk om af en toe voorbij te hobbelen. Verder slechts lege beelden. Was het dier te snel? Een bewegende tak? We zullen het nooit weten.

DSC_0691-bewerkt

Sporen van spelende lynxen

Nadat de blokhut en omgeving na ettelijke pogingen geen glimp van iets wilds had opgeleverd, nam ik drastische maatregelen. Ik vond een besneeuwd veldje waar overduidelijk meer dan een lynx was langsgekomen. Er was zelfs gestoeid, getuigen de poot en vachtafdrukken in de sneeuw. Paaltje met zalmolie geplaatst, camera dagen laten staan. Niets.

V.l.n.r. boven naar onder: hond betrapt, camera betrapt en boys up to no good…

Hoewel je als reiziger te allen tijde elk product dat naar eten riekt ver uit je buurt lijkt te moeten houden, in verband met nieuwsgierige beren, lijkt dat voor cameravallen niet op te gaan. Leek, liever gezegd. Want toen we uiteindelijk naar ons tweede huis bij Lake Atlin verhuisde, begon de camera val succes te boeken.

IMAG0040 (10)-bewerktWazige vlek blijkt berenneus…

Het duurde even voor we  deze wazige hadden ontcijferd, maar wie goed kijkt, ziet de neus en het oog van een zwarte beer, die de lens van de camera komt knuffelen. De voormalige composthoop  bleek in het vroege voorjaar een magneet voor wilde dieren.

Zwarte beer en vos (grijze variant van de rode vos) op bezoek bij de composthoop

Toen ik ’s ochtends vroeg een keer naar het toilet stommelde, zag ik ineens een witstaarthert in de tuin liggen. Lekker herkauwend op z’n dooie akkertje. Ook toen stond de camera in de tuin:

IMAG0060

Uiteraard probeerden we steeds nieuwe plekken, en nieuwe tactieken: met lokaas, op wildpaadjes, bij plekken met duidelijke sporen van wild.  Uiteindelijk bleek het neergelegde gratenskelet van een zalm aantrekkelijk voor een reeks uiteenlopende dieren.

Voor goede ogen, v.l.n.r. boven naar onder: chipmunk, rode eekhoorn en muis

Met als klapstuk…

 

De lynx!

 

Over bevers, beren en andere beesten

Je hoeft hier niet ver weg  voor je eersteklas natuurmomenten. Soms heb ik het gevoel dat ik in een van de spectaculaire BBC-documentaires ben beland. Heel af en toe schakel ik de filmfunctie van mijn camera in om dat gevoel te versterken. Het heeft wel wat, dat filmen. (Helaas kan ik de filmpjes niet zo op het blog zetten, dus die houden jullie te goed).

DSC_0456
Bever met een missie

Laatst bijvoorbeeld, toen ik na vele pogingen om de bevers bij een naburig plasje vast te leggen, ineens een doorbraak beleefde. Tot dan toe gingen de knagers vaak precies aan de andere kant van het plasje zitten als ik net dacht hun favoriete plek te hebben gevonden. Maar deze keer had ik gezien dat ze druk met hun dam bezig waren en ik besloot het nog maar weer eens te proberen. Dit keer kwam er al na twee minuten een bever aan gezwommen, die zich niets aantrok van de in blauwe jas gehulde gedaante aan de kant. Sterker nog, het dier ging vlak naast mij de kant op en ik kon precies zien welke kruiden de bever naar binnen werkte. Paardenstaart bijvoorbeeld. En frambozenblaadjes en wilg. Ik kreeg er zelf bijna trek in.

 

DSC_0462
Bever etend op 2 meter van mij vandaan

Intussen heb ik al heel wat van dit beverpaar kunnen zien en vastleggen. De dam aan de westzijde van de plas had versterking nodig. Avond aan avond waren de bevers bezig om modder van de bodem te scheppen om die vervolgens tussen kin en poten geklemd de kant op te duwen. Als zich een aardige hoop had gevormd, werd deze zorgvuldig met de voorpoten aangeduwd. Af en toe werd er een tak of een kleine boomstam in de modderbrij geduwd om het geheel tot een stevig bouwwerk te maken. Het gat dat aanvankelijk in de dam zat werd zo vakkundig gedicht. De beverdammen zijn in het algemeen zo stevig dat je er rustig op kunt lopen (waarmee ik het zeker niet wil aanmoedigen!).

 

Het bouwen van een dam; vlnr: modder wordt zwemmend tussen voorpoten en kin getransporteerd, op de gewenste plek gestort, aangeduwd en uiteindelijk met de voorpoten aangestampt.

Een andere interessante waarneming was de bouw van een nieuwe burcht. Bevers leggen rond de burcht takkenhopen in het water als wintervoorraad. Het is de bast van de takken die als voedsel dient. Wanneer het water bevriest, kunnen ze makkelijk vanuit de burcht onder het ijs door zwemmen om even een takje te halen. Een soort natuurlijke koelkast dus. Wat mij opviel was dat één van de takkenhopen voor de burcht na de winter nog steeds in omvang toenam. Zodanig, dat het op een serieuze burcht begon te lijken.

DSC_1656
Vlnr: oude voedselvoorraad, nieuwe burcht, met gras overgroeide oude burcht .

Nu zwemmen de bevers regelmatig met verse twijgen en duiken onder bij de grote takkenhoop. Dat duidt er ten eerste op dat de takkenhoop een onderwateringang heeft, zoals dat hoort bij een serieuze burcht. Ten tweede betekent het brengen van verse takken naar de burcht dat er hoogstwaarschijnlijk jongen aanwezig zijn die de bast van de kleine takjes als voedsel krijgen. Goed opletten dus of er binnenkort jonge bevers bij de burcht ronddobberen.

DSC_1700-bewerkt

 

 

Dagelijkse  bezigheden van de bevers: takjes knagen, bast van stammen eten (hmmm), grondig vacht poetsen en stammetjes in de dam duwen

De bevers zijn niet de enigen met kroost. Over fladderen jonge vogels rond. Ons balkon dient als voederplaats voor jonge junco’s en grey jays. De robins (grote lijsters met rode borst) zijn gestopt met zingen en vliegen nu rond met allerlei insecten in hun bek. Tot aan libellenlarven toe, die ze handig van de oever van het bevermeertje plukken.

DSC_1424-bewerkt

American robin (soort lijster) met libellenlarve

De wegkanten zijn in de vroege zomer ideaal voor grazende gezinnen omdat ze vol staan met verse planten en struiken. Zo zagen we weken geleden ineens een grizzlyberenmoeder met haar drie jongen langs de weg scharrelen. Ze deden zich te goed aan de bloemen van locoweed, een familielid van de sperzieboon, maar dan anders. Bekend om zijn effect op vee: ‘loco’ betekent gek en dat is wat vee wordt van het eten van het plantje. Beren blijkbaar niet, al is het gescharrel met je kleuters langs de weg niet erg verantwoord te noemen.

Over onverantwoord gescharrel gesproken…

DSC_0473

Deze wilde hondachtige maakte het helemaal bont. Nienke zag vanuit een ooghoek een wolf in de berm liggen. Niet dood maar springlevend. Terwijl wij in blinde paniek de auto probeerden te keren, in de veronderstelling dat het dier er als een haas vandoor zou gaan, bleek hij doodgemoedereerd op weg naar ons toe! De wolf drentelde wat rond de auto en ging vervolgens midden op de weg lopen waarbij het aanstormende verkeer (dat hier gelukkig zeer beperkt is) moest uitwijken. Wij stonden ondertussen ook nog eens op de verkeerde weghelft, half in de greppel met afgeslagen motor, terwijl ondergetekende onder deze penibele omstandigheden probeerde de National-Geographic-plaat-van-het-jaar te maken. Gelukkig zijn automobilisten hier over het algemeen vrij beheerst. Glimlachend informeerde een geduldige tegenligger of de plaatjes een beetje gelukt waren.

Intussen was de wolf alweer in de berm aan het rondscharrelen en enkele minuten later verdween het dier in het bos, nog een keer omkijkend. We waren allemaal behoorlijk ondersteboven van deze waarneming.

DSC_0538-bewerkt.jpg

Van mensen in het dorp hadden we al gehoord over een wolf langs de weg, maar dat was alweer weken terug. Natuurlijk is het vreemd dat zo’n wild dier dit gedrag vertoont. Waarschijnlijk is hij in het verleden gevoerd. Hoe het ook zij, het is en blijft een prachtig wild dier en het is heel bijzonder om een wolf zo diep in de ogen te kijken. Wat een blik. Oordeel zelf.

DSC_0497-bewerkt1

En hoe zit het met de elanden? Het is een feit dat er zeer veel geschikt landschap is rondom Atlin en het is opvallend is dat we tot nu toe relatief weinig elanden hebben gezien. Zeker geen stieren met enorme geweien, zoals je altijd op de plaatjes ziet. De Tlingit zeggen dat er vroeger veel meer elanden waren dan nu. Helaas zijn er nog geen getallen bekend en dus blijft de overheid ongelimiteerd vergunningen verstrekken aan jagers om elanden te schieten. En je raadt het al: juist de elanden met grote geweien worden het eerst geschoten.

DSC_9212-bewerkt

Gelukkig vingen we een glimp op van dit kalf en zijn moeder, veilig grazend in de verte in een van de vele moerasjes. Laten we hopen dat het een meisje is…

 

Road trip met een kano

Een hiaat in het blog, u moet het ons maar vergeven, want: we waren weer eens met vakantie! De locals hadden ons al tijdenlang aangeraden om eens naar het plaatsje Haines Junction te rijden, in Yukon, aan de voet van het indrukwekkende Kluane-gebergte. Daarvandaan loopt de weg zuidwaarts naar Haines in Alaska, aan de kust. Die weg moet de mooiste in de hele wijde omgeving zijn. Met de ferry kun je dan weer van Haines naar Skagway: een recept voor een geweldige road trip. Normale mensen doen dat in twee, drie dagen (of één – volgens Google Maps is het 7 uur), dus wij dachten: we gaan twaalf dagen. Dan kunnen we onderweg mooi overal stoppen en avonturen beleven. En dat is gelukt!

Haines Jct

Vanuit Atlin reden we eerst naar Whitehorse (30.000 inwoners, de hoofdstad van Yukon). Dat hadden we nog nooit echt goed bekeken, dus we besloten er een dagje te blijven. We logeerden twee nachten in het huis van Cathie en Jak, die op dat moment zelf in Atlin waren. En Whitehorse is leuk! Bol van de goudzoekershistorie. Hier kwamen de mensen tijdens de Gold Rush van 1897-1900 massaal op adem na hun barre tocht over de White Pass. Vervolgens reisden ze dan met een raderboot zoals deze hieronder (de SS Klondike) over de Yukon naar Dawson City, en naar de Klondikerivier met zijn goudbeladen zijarmen.

0009

Whitehorse is overigens vernoemd naar de stroomversnellingen in de Yukon, die met hun wit-schuimende golven doen denken aan de wapperende manen van een wit paard.

Het stadje heeft een erg leuk natuurmuseum, Beringia genaamd, gewijd aan hoe het er hier uitzag ten tijde van de ijstijden. Toen lag de zeespiegel een stuk lager dan nu, omdat er zoveel water was opgesloten in de ijskappen die grote delen van het noordelijk halfrond bedekten. Je kon van Siberië naar Alaska lopen over een brede landbrug, die we nu Beringia noemen. Daar graasden mammoeten en steppewisenten, die werden bejaagd door sabeltandkatten – en, rond het eind van de laatste ijstijd, door de vroege Noord-Amerikanen, afkomstig uit Siberië. Tijdens de voorlaatste ijstijd vond je er reuzenbevers – hieronder op schaal nagemaakt. Die mammoeten op de linkerfoto waren ook een groot succes.

Vlak ernaast was het transportmuseum. Er boeiend om je te realiseren hoe de wildernis stukje bij beetje bereikbaar werd, eerst te voet en per hondenslee, later per boot en trein, toen via de Alaska Highway (wat een project…) en ten slotte per bushvliegtuig. Je ziet ook wat er mis ging – en waarom de bush van Yukon nu nog steeds voor 99% onbegaanbaar is.

En er was een historisch treintje, waar we natuurlijk een ritje mee maakten. Het liep over het smalspoor dat in vroeger tijden het eindpunt was van de White Pass & Yukon Railroad, de waanzinnige spoorlijn door de bergen waar we eerder al een stukje van deden (zie blog ‘Uitstapje naar Alaska’). Nu rijdt er in de stad een 100 jaar oud Portugees wagonnetje overheen, voor de toeristen. Ach ja. Leuk voor jong en oud, dat historische waterfront, met mooi uitzicht op de Yukon.

Lekker uit eten, ook wel weer eens leuk na maandenlang bonen en pasta! De volgende dag verlieten we Whitehorse richting Alaska Highway. Eerst nog even een tussenstop bij het Yukon Wildlife Preserve, een enorm safaripark met inheemse diersoorten. Een beetje gekunsteld natuurlijk, maar in een prachtig landschap – en toch ook weleens leuk om die berggeiten, blue sheep, muskusossen, rendieren en elk (het enorme Amerikaanse edelhert) van heel dichtbij te zien. Ook erg leuk: de grondeekhoorntjes die graag meesnoepten van het voer van de grote grazers. Die piepten steeds tevoorschijn vanonder de voederbakken.

Tijd voor het echte avontuur! In een last-minute briljante opwelling had Teun voor vertrek geroepen: waarom nemen we eigenlijk de kano niet mee? Dus dat deden we, hupsakee op het dak. Dat opende tal van mogelijkheden onderweg. Eigenlijk stond ook peddelen op de Yukon op ons verlanglijstje, maar dat bewaren we voor een volgende keer (als we ons hebben ingelezen over waar de stroomversnellingen zitten). Maar ook halverwege Whitehorse en Haines Junction kun je leuk kanoën. Ook dat was eigenlijk een opwelling. We stonden te kamperen bij Kusawa Lake (zie kaartje), wat op zichzelf een beetje een afknapper was. Prachtig landschap, maar een beetje een redneck-camping waar tot diep in de nacht luide muziek werd gedraaid. Waren we maar gaan wildkamperen! Maar de ranger die langskwam, deed ons een mooi idee aan de hand. Waarom gaan jullie niet een eindje de Takini River afzakken? Die hadden we op de heenweg al zien stromen in een prachtige vallei.

Geweldig idee. Teun bracht de auto hemelsbreed ruim tien kilometer stroomafwaarts (over de kronkelende rivier was de route circa anderhalf keer zo lang) – en rende in sportkleren terug. Had hij meteen zijn trainingsschema afgewerkt.

Een prachtige rivier, die Takini. De buitenbocht is hier en daar uitgesleten in een hoge steilwand van wit zand en grind (zie tweede foto in onderste rij hierboven – als je erop klikt dan zie je hem groter). In de binnenbochten liggen prachtige zompige moerasjes. Het water stroomt behoorlijk hard en is heldergroen. Het is technisch niet lastig varen – je kunt je heel relaxt laten meevoeren. Maar er is één beruchte stroomversnelling, de Jaws. De ranger had nota bene gezegd: die kunnen jullie best varen. Maar bij het beginpunt waren kenners die het ons toch afraadden, zeker met kleine kinderen en met onze loodzware kano die je nooit meer uit het water krijgt als hij zinkt. We gingen, bij het bewuste punt, dus eerst maar even aan land om de Jaws van bovenaf te bekijken. Wat gaaf!! Bij Teun en mij begon het erg te kriebelen. Maar na enig wikken en wegen (samen eraf varen, kinderen bij deze aardige mensen op het strandje achterlaten…?) toch maar besloten de kano langs de stroomversnelling te dragen. Volgende keer misschien!

Teruggaan naar de redneck-camping wilden we niet, dus hup: kampeerspullen in de kano geladen en naar de overkant van de rivier gevaren om daar de tent op te zetten. Fijne beslissing. Heerlijk toch, dat wildkamperen.

0044

En dat gingen we in de dagen die volgden nog eens dubbeldwars beleven. Doel van dit deel van de reis was Kluane National Park, het enorme berggebied dat aansluit op de parken Wrangell-St.Elias (Alaska) en Tatshenshini-Alsek (BC) – die samen het grootste beschermde natuurgebied ter wereld vormen, met 8,5 miljoen hectare. Eindeloze bergen, gletsjers, rivieren en meren, voor het overgrote gedeelte zonder wegen of paden. Hoe dring je daarin door met kleuters? In een kano!

In het bezoekerscentrum hadden we ons daarover laten voorlichten, een permit gekocht en bearproof containers meegekregen om ons eten in te bewaren. ‘Heeft u wel een stevige fourwheeldrive die hoog op de wielen staat?’, vroeg de dame nog. Ja, die hebben we! En dat was maar goed ook, zie hieronder. Het beginpunt van onze kanoroute lag circa 15 km het park in – en da’s op deze manier een uur rijden. Stoer zeg – dat moeten wij die niet van auto’s houden, hier toch even eerlijk opbiechten…

Zo reden we langs de rivier de Dezadeash richting de beroemde Alsek Valley. Ons plan was om vanaf Camp #1 in het kaartje hieronder (de enige plek waar je een boot te water kunt laten) zuidwaarts de Dezadeash af te peddelen, tot waar deze zich bij de Kaskawulsh River voegt. Camp #4, daar wilden we kamperen. Maar tegen de tijd dat wij van start gingen, was het al zo laat dat we al snel inzagen dat we dat op die eerste dag niet zouden halen. Dan maar kijken hoe ver we kwamen. Het werd Camp #2, vier kilometer verderop.

0046

Want: het stormde namelijk behoorlijk – en we hadden de wind pal tegen. Van stroom méé was helaas niets te merken. Hoge golven klotsten soms de kano in, best spannend. Soms kwamen we ondanks keihard peddelen geen centimeter vooruit. Dan maar de boot uit en trekken, in het ondiepe maar ijskoude water!

Maar het was zeer de moeite waard: steeds verder die wildernis in peddelen, terwijl je weet dat je de enige bent die op dat moment een permit heeft voor die hele vallei – en dus alleen bent in een gebied van honderden vierkante kilometers. Nou ja, alleen…

0214

0052

Na twee uur ploeteren hielden we het voor gezien bij wat op onze kaart stond als Camp #2: een schiereilandje. Vanaf de rivier leek het alleen maar ondoordringbaar broekbos te zijn, maar vanuit de baai achter het schiereiland kon je zien dat er een ware kampeeroase achter lag: vlak, droog en vol geurende alsem. Geen vast campingplekje met vuurplaats of iets dergelijks – maar wel het enige kampeerbare stuk grond langs dit stukje rivier. Perfect. Bram helpt mee om de tentjes op te zetten.

De volgende dag bulderde wind nog net zo hard, pal tegen. Dan maar vaak stoppen om even te spelen aan land – en om M&M’s en mueslirepen te snacken!

En dan Camp #4! Wat prachtig! Indrukwekkend hoe die beide dalen bij elkaar komen en dan verder samen de Alsek Valley vormen. Tussen de pluimpjes van de uitgebloeide achtster zetten wij onze tentjes op, aan de rand van de eindeloze vlakte, in de luwte van een morene. Daar hadden we eindelijk rust van de bulderende wind en konden de mutsen af. De kleine mannetjes zagen natuurlijk weer aanleiding om te gaan zwemmen.

De Kaskawulsh is een enorme gletsjerrivier, die vlechtend over een brede grindvlakte stroomt. Dat zie je niet zo vanaf het waterniveau, maar wel als je een eindje de helling op loopt. Dat deden Bram en ik die avond – Bram was niet te stuiten en wilde per se naar de top van de heuvel! Een steile klim, die hij dapper en enthousiast volbracht. Op de linkerfoto zie je rechts in beeld een dennenbosje aan het water – daar ongeveer staan onze tentjes. Van rechts komt de Dezadeash, recht van voren de Kaskawulsh, en samen stromen ze als Alsek verder naar links, uiteindelijk helemaal naar de Pacific. Er zijn mensen die dat raften, in een week of drie! Links zie je Profile Mountain.

Teun maakte die avond ongeveer hetzelfde tochtje, maar verkende niet de heuveltop maar de canyon die erachter lag.

0220

We hadden graag een rustdag willen inbouwen, en een dagje willen spelen op die samenvloeiing van rivieren, maar we wisten niet zeker of we wel in één dag zouden kunnen terugpeddelen naar de auto. En je moet je strikt aan het aantal dagen van je permit houden, anders gaan ze je zoeken met een helikopter. Daarom toch de volgende ochtend de tenten maar weer ingepakt, onder toeziend oog van een slechtvalk die pal onder onze neus een geelpootruiter sloeg.

0221

We gingen natuurlijk wel eerst nog even een ochtendtochtje maken. De Kaskawulsh een eindje opvaren, dat wilden we. Op de stoere rivier zelf maakten we geen schijn van kans, dat merkten we al snel, maar in het aangrenzende vloedbos kwamen we een heel eind. Het smeltwater van de Kaskawulsh-gletsjer stroomde tot voor kort voornamelijk door een ander dal, en deze rivier hier was toen heel bescheiden. Maar door het terugtrekken van de gletsjer verlegde de stroom zich en nu loopt al het water door deze vallei. Daardoor zijn de oeverbossen nu ondergelopen. De bomen zullen vast afsterven, maar nu kun je er nog tussendoor varen. De vegetatie remt de stroming grotendeels, maar het blijft ploeteren. Even aan land kijken, en daarna: wiehoeeee, met de rivier mee terug! Wel uitkijken dat we de bocht niet misten, en verder de Alsek mee ingesleurd werden… maar dat ging goed.

Helemaal in één keer terugvaren lukte inderdaad niet, na deze ochtendexcursie (natuurlijk was de bulderende wind – die we nu in de rug gehad zouden hebben – gaan liggen), dus het was goed dat we een extra dag hadden. Nu konden we rustig aan doen en onderweg nog wat aan land gaan. Vooral als je vijf of zes bent is dat fijn – dan is de aandachtsspanne in de boot niet heel lang. Maar dat is prima.

We kampeerden deze keer illegaal op een plek aan de westkant van de rivier, een kilometer of twee ten zuiden van waar de auto stond. Weer op zo’n prachtige alsemvlakte met wilgenroosjes. Teun zag ’s avonds nog deze jongen – de eerste eland met een fiks gewei. Teun maakte het arme beest zodanig aan het schrikken dat het pardoes vlak langs het kamp galoppeerde, zich luid krakend een weg door de bosjes baande om er vervolgens rennend door het water vandoor te gaan. Nienke zag het niet maar hoorde het wel vanuit de tent. Eerst was dat wat spannend (is het een beer??), maar het luide plonzen in de rivier deed al snel vermoeden dat het om een eland ging. Vervolgens kwam er weer iets aanstruinen, maar dat was Teun. Al met al een bijzondere auditieve ervaring…

De volgende dag nog een stukje peddelen terug naar de auto, en weer lekker fourwheeldriven dwars door de beken. Een prachtige rit met fenomenale uitzichten.

En zo reden we terug naar Haines Junction, waar we ons weer afmeldden bij het bezoekerscentrum. Maar de bearproof containers, die hielden we nog even, en we haalden meteen de volgende permit, want we wilden nog één dagje het park in peddelen, via het schilderachtige Kathleen Lake. Hoe dat afliep, en wat we verder beleefden langs de mooiste highway in de wijde omtrek, en hoe het is om te kanoen in Haines, op zee en met paaiende zalmen op een meer, dat vertellen we binnenkort.

(Nienke)

 

Hier nog wat overgebleven foto’s.

Takini River:

0029

Eerste aanblik van de Kluane-bergen vanaf de Alaska Highway:

0077

Dezadeash Valley:

0073

Bram met zijn geliefde arendveren:

0063

En met beverhoutjes, een andere grote hobby:

0232

Stilleven met kano:

0067

En tot slot Haines Junction – de splitsing van de weg naar Haines en de Alaska Highway naar Anchorage en Fairbanks:

0074

Life around Atlin

Je zou het bijna vergeten, met al die reisfoto’s van Alaska en van bisons: dat we tussendoor gewoon op één plek wonen. Terwijl dat nu juist een welbewuste keuze was. Niet steeds rondreizen, maar ook ergens een beetje wortelen. De omgeving en de mensen leren kennen. Ons thuis gaan voelen.

Daarom hier eerst, voordat we nog een laatste serie foto’s van Alaska over jullie uitstorten, en daarna die van de volgende vakantie (onze laatste! naar de bergen en de toendra in het noorden), een beeldverslag van ons leven hier in Atlin. Nou ja, de highlights daarvan tenminste. De regenbuien, de muggen, de vernielde mijnbouwdalen en de klierende jongetjes laten we gemakshalve even weg, zoals we eerder al uitlegden. En de raciale segregatie – daar hadden we het nog niet over gehad. Maar die reflectie, die komt nog wel een keer!

Daar gaat ‘ie dan. Om te beginnen: blije plaatjes van in, rond en boven ons huis. Met onze kolibrie Roosje, die naar binnen was gevlogen (maar zich gelukkig meteen klem vloog achter het gordijn).

 

Kanoën op Atlin Lake, vanuit de haven, naar een van de kleine eilandjes. Soms met jongetjes:

 

…maar soms ook zonder (eerst even koffie halen bij Leandra):

 

Kleine jongetjes op bezoek om te spelen, meestal met water in de tuin, en uiteindelijk vaak uitgeput met een filmpje:

 

Zwemmen in Atlin Lake – nou ja, pootjebaden in het ijskoude meer zelf, en badderen in de opgewarmde natuurlijke poeltjes:

 

Een avond mee met de boot van Philippe, Leandra en hun zoontje Justin. Barbecuen op Sandy Beach, aan de voet van Theresa Island. Elandenspiesjes, berenworstjes (ja echt!) en een heerlijke moot zalm.

 

Een dagje naar Carcross, rijk aan Tlingit-erfgoed, om een interview af te nemen over het beschermen van de Southern Lakes-kariboe – o.a. gesprek met een Tlingit-stamoudste:

 

Leren schieten met een luchtbuks bij John en Stephanie. Jelle schiet ‘pang’ precies tegen de gietijzeren pan die als schietschijf in de boom hangt!

 

Een dagje vissen op Palmer Lake samen met Rosie en haar zoontjes James en Oliver:

 

Vaderdag: een georganiseerde vader-zoon-vismiddag op Como Lake. De hele bekende bende van kleine jongetjes is aanwezig (en hun vaders):

 

Zomaar een avond pielen aan het beekje tussen de beide McDonald Lakes. Eten koken op de brander. En op de terugweg nog even stoppen om foto’s te maken van de prachtige vallei (uitzicht op Atlin Mountain en Lake) – en een stekelvarken te besluipen!

 

Mountainbiken (Teun) met o.a. Philippe en Leandra, bij Pine Creek…

0143

 

…en boven McDonald Lake Valley:

 

Kajakken (Nienke) met o.a. Philippe en Leandra, in de snelstromende rivier van Atlin Lake naar Tagish Arm. Teruglopen langs de historische spoorbaan uit de tijd van de goudkoorts:

 

Op school. Vanaf eind juni zitten alleen Bram, Jelle en Justin nog in de klas. Maar nog wel altijd twee leraren: Marvin en Mrs. Ewing. Veel excursies en buitenspelen. Maar ook kunstprojecten:

 

Beklimming van Monarch Mountain vanaf ons huis (geen pad!); eerste deel Teun en Nienke samen, Teun keert aan het eind van de ochtend terug om de jongetjes van school te halen:

 

En tot slot: de ontwikkeling van kassen en moestuin van mei tot juli:

 

 

Kajakken in Alaska

We zijn alweer een paar weken terug, maar het uitzoeken van die enorme hoop walvis- en landschapsfoto’s kostte nu eenmaal wat tijd…! Walgelijk mooi gewoon, dat Alaska. Waar waren we gebleven? We hadden het oostelijke gedeelte van onze vakantie gehad, Liard River Hot Springs, en reden daarvandaan via Teslin rechtstreeks naar Alaska. Onze  thuisbasis Atlin lieten we dus even links liggen.

Weer over de prachtige White Pass, weer steil afdalen naar het groene Skagway aan de fjord. Vanaf daar deze keer niet de bergen in, maar met de ferry in twee dagen via Juneau naar Gustavus. Dat is een piepklein, super-afgelegen dorpje – niet per weg te bereiken – in Glacier Bay National Park. Onze kajakbestemming.

Kaartje kajakken

De ferry in Zuidoost-Alaska is een toeristische attractie op zichzelf. De tocht van Skagway naar Juneau duurt zeven uur, dus je moet wel ontspannen. Dat lukt ook prima met dat waanzinnig mooie landschap. Steile bergen en gletsjers, dampend regenwoud, en dan die fjorden – Noorwegen is er niks bij. Aankomst in Juneau om middernacht, vier uurtjes in halfslaap op de camping (met één tent vanwege de tijd en de harde regen; de andere helft van het gezin ‘slaapt’ in de auto), om vijf uur alweer inschepen voor nog eens zes uur op de ferry: van Juneau via Hoonah naar Gustavus.

Op de foto hierboven (linksboven) zie je onze ferry aankomen in Skagway: een redelijk klein bootje. Onze auto gaat mee. Het is stralend weer. Op de foto linksonder zie je een van de enorme cruiseschepen (3000 passagiers) die dagelijks in Skagway aanleggen.

Maar de grootste attractie is de voortdurende kans op wildlife. Het is één grote safari. Overal zeekoeten, zeearenden, zeeleeuwen, zeeotters, bruinvissen – en naarmate je verder de fjord uitvaart: steeds meer kans op walvissen. Dat is zó spannend dat we niet van het dek weg te slaan zijn.

714

Ook de jongens vinden het reuze spannend. We zien inderdaad walvissen, maar vooral in de verte. Die foto’s zullen we jullie besparen, want er komen veel betere. Hier nog even een impressie van twee dagen op de ferry.

In Skagway was het nog stralend weer, maar in de uren daarna varen we een dreigend front binnen. De bergtoppen verdwijnen in de mist, het wordt steeds donkerder en het begint steeds harder te regenen. We weten het: het kustlandschap van Alaska krijgt drie tot vier keer zoveel regen als Nederland, en niet voor niets groeit hier regenwoud. Maar toch: het doet wel zeer om dat prachtige zomerweer achter ons te laten en te weten dat we nu tien dagen gaan kamperen. Als het dan tenminste maar éven droog is…

In Gustavus kiezen we dus maar even voor het gemak. We zouden hier een nachtje op de camping staan, voorafgaand aan onze driedaagse kajaktocht, maar we komen na enig rondvragen uit in een schattig blokhutje middenin het regenwoud. Hier kunnen we even onze tent drogen die in Juneau al doornat is geregend.

Gustavus is een kneuterig dorpje (300 inwoners) in een lieflijk landschap. Hier geen steile bergen die uit zee oprijzen, maar een vlakke, weelderig begroeide zanddelta aan de monding van Glacier Bay. Kleurrijke houten huisjes te midden van kreken en bloemenweiden, met op de achtergrond besneeuwde pieken (tenminste, als het mooi weer is – wat niet zo vaak gebeurt). Honderdvijftig jaar geleden lag hier nog een honderden meters dikke ijskap, maar die heeft zich door natuurlijke feedbackprocessen in razend tempo teruggetrokken in de dalen die in de baai uitkomen. Daarover later meer, in een ander blog – ik zie nu al aankomen dat deze anders veel te lang wordt!

Op de avond van aankomst ontmoeten we onze gidsen die de komende drie dagen met ons mee gaan. Ja, het zijn er twee, voor de prijs van één: Jessie, een meid van 25 die dit al een aantal seizoenen doet, en Patrick, even oud, die mee is om de kunst af te kijken. Hij werkt voor het eerst voor dit bedrijf, maar heeft wel jarenlange ervaring met zeekajakken. Want dat is hier onontbeerlijk. Met de zee valt niet te spotten, vanwege sterke getijdenstromingen en snel omslaand weer. Teun en ik hebben weliswaar redelijk wat in een kajak gevaren, en veel in een kano, maar met kleine kinderen die niet kunnen zwemmen, in de ijzige wateren van Alaska, nemen we liever geen risico. Dan maar even in de buidel tasten. Erg gezellig, overig, die gidsen. Vooral Patrick, die uit ons geliefde Minnesota blijkt te komen, heeft een prettig gevoel voor humor. Beiden zijn zeer kundig en professioneel – en erg goed met kinderen.

De volgende morgen ontmoeten we Jessie en Patrick in de haven, waar een klein motorbootje al klaarligt met onze kajaks erop en een bult eten en uitrusting erin. Dit bootje brengt ons in een halfuur tijd naar de overkant van Icy Strait, naar Point Adolphus: de noordpunt van het eiland Chichagoff, naar verluidt dé hotspot om walvissen te gaan kijken. Hier gaan we drie dagen kamperen in het regenwoud, totaal in the middle of nowhere. En kajakken, natuurlijk.

Dat kajakken met een vijf- dan wel zesjarige voorin de boot is wel een uitdaging, ha! Meestal wordt er niet meegepeddeld, en als er wel wordt meegepeddeld, dan wordt er eigenlijk vooral tegengepeddeld. En als je denkt: wat gaat dat toch zwaar, dan is er dikke kans dat de bijvaarder stiekem een stuk zeewier heeft vastgegrepen. Dat is soms van dat prachtige kelpwier, of anders ‘bullepeeswier’, dat Jelle daar rechtsboven vast heeft. In beide gevallen zit het vast aan de bodem en dat peddelt nogal zwaar… Verder wil de bijvaarder natuurlijk om de haverklap wat eten of drinken, en dan moet je even langszij gaan liggen bij een andere kajak om dat te regelen, want je kunt er niet bij. Of aan land om te plassen. Maar gezellig is het wel. We peddelen steeds een uurtje, misschien twee, en gaan dan gauw weer aan land vanwege de beperkte aandachtsspanne op zee. Spelen op het strand, dat willen de mannetjes – en dat houden ze wél urenlang vol. Soms ieder in hun eigen wereld, soms gebroederlijk samen, niks geen gezeur, geklier en geruzie. Geweldig dus!

Stenen zoeken en in het water gooien, schelpen en botten en veren verzamelen, kijken wat er allemaal in de getijdenpoeltjes leeft. Daar krijgen ze geen genoeg van. Wij ook niet, trouwens.

Dat botten en veren en schelpen verzamelen, dat wordt langzamerhand een ware obsessie voor de jongens. Thuis in Atlin hebben ze allebei al een enorm “museum” vol liggen in de vensterbank, en er wordt heftig gediscussieerd over wat er straks allemaal wel en niet mee naar Nederland mag. Hoeveel er in onze tassen gaat passen, maar ook wat de douane allemaal door de vingers gaat zien. Een deel zullen we illegaal per post moeten versturen, vrezen we. In ieder geval, ook in het regenwoud van Point Adolphus hebben beide jongens een museum:

Maar ook Teun krijgt er geen genoeg van, van die strandjes. Hij zit urenlang op de rotsen met zijn telelens. En dat levert dan dit soort plaatjes op. Zeearend, zeeotter met jong, Stellers zeeleeuw, gewone otter, bruinvis.

En die walvissen dan…? Vanuit de kajak krijgen we ze niet van heel dichtbij te zien. Dat is een kwestie van kansberekening. We brengen simpelweg niet genoeg uren op het water door. Hooguit twee, drie, vier per dag, en niet acht tot tien zoals we zonder kindjes gedaan zouden hebben. Dan is de kans dat er vlak naast je boot een kolos opduikt, nu eenmaal niet zo groot. We zien ze wel mooi in de verte. Ook springend – wat je zelfs vanaf de overkant van Icy Strait kunt horen als doffe klappen! We zien er iedere dag vele tientallen: allemaal bultruggen. Vast wel honderd in totaal, de ferrytochten meegerekend. En we zien vlakbij de kajak wél volop bruinvissen, zeeotters en zeeleeuwen. Zo vlakbij dat je ze kunt horen ademen. Geen walvisfoto’s dus? Jawel: de bultruggen zwemmen bij ons ontbijtstrandje zomaar op 20 meter afstand voorbij! Over horen ademen gesproken… Je schrikt er soms van, zo luid. Maar als je dan razendsnel je kajak te water laat om erbij te gaan liggen, dan zijn ze natuurlijk alweer weg. Deze plaatjes zijn dus vanaf het land gemaakt… tijdens het ontbijt. Ook niet slecht. Linksboven, voor wie het zich afvraagt, het dubbele blaasgat. De neusgaten van de bultrug.

Zo’n tocht met privégids is overigens ongelooflijk luxe. Veel sjieker dan wij normaal kamperen. Het eten is driegangen. Er is een tweepits kooktoestel mee, en een uitklaptafel. We eten lokale vers gerookte vis, taco’s, curry. Wijntje erbij. Zelfs de lunch is sjiek. Zalm met roomkaas en kappertjes, hummus, huisgemaakte jam, versgebakken koekjes.

Ook het weer is driesterren. Rechtsonder zie je die ene ochtend waarop het pijpenstelen regent, maar verder is het verbazend droog. En dat terwijl het hier toch elke dag wel een tijdje hoort te regenen – of zelfs een week achter elkaar. Wel erg fijn dat het nu zo mooi is – niet alleen vanwege het kamperen, maar ook de landschappen zijn zoveel mooier als je de omringende bergen kunt zien. En het wildlife is veel makkelijker te spotten als de zee spiegelglad is.

We nemen tijdens iedere lunch ook even de tijd om het regenwoud te bekijken. Erg indrukwekkend! Joekels van woudreuzen, overal mospakketten in de bomen, weelderige ondergroei en kleurrijke bloemen. Een sprookjesachtig geheel.

En dan is het alweer tijd om terug te gaan. Drie dagen is veel te kort, dat blijkt maar weer. Gelukkig hebben we straks nog drie dagen om rond te kijken in Glacier Bay, én nog een bonusdagje kajakken met een gids. Een gratis toegift van het bedrijfje waarbij we deze tocht hadden geboekt. Maar daarover later meer, in een blog over Glacier Bay.

 

(Nienke)

En dan hier nog de gebruikelijke overgebleven foto’s:

Lunch in Carcross (Yukon), op weg naar Skagway,
met schitterende anemonen en grondeekhoorns:

Overnachting op de camping in Skagway. Jelle filtert water; lekkere lokale biertjes; Teun en Bram zagen hout voor het kampvuur; Western columbine (een akelei); sneeuwschoenhaas; Teun fotografeert een gekke bremraap; en zevenster.

Het regenwoud rondom onze campingplek bij Point Adolphus:

En als de muggen en de beruchte black flies te erg worden:

 

 

Taku River Tlingit

Sinds maart ga ik met enige regelmaat op stap met mensen van de TRT, de Taku River Tlingit. De Tlingit, een van de Indianenstammen hier in British Columbia, bezitten land rondom Atlin en beheren dat zelf, in samenwerking met de overheid. Ze hebben specialisten in dienst die zich bezig houden met landgebruik, zoals mijnbouw en de monitoring en bescherming van de natuurlijke bronnen, waarbij ze vooral focussen op jachtwild en habitatbescherming.

Geen eenvoudige taak, weet ik inmiddels. Mijnbouwers hebben veel rechten en weinig plichten. Zo mogen ze rustig land claimen, ook al is het bezit van de plaatselijke bevolking, de Tlingit in veel gevallen. En ze mogen de rommel gewoon laten liggen. Zo zijn er al diverse beeksystemen rond Atlin meerdere keren op de schop genomen om de laatste korreltjes goud eruit te wassen. Een maanlandschap blijft over. 

De provinciale overheid laat zich vooral leiden door dollartekens en kortetermijngewin. Zo worden er grif jacht- en mijnbouwvergunningen verstrekt, zonder kennis van de omgeving, terwijl de TRT ieder dubbeltje moeten omdraaien voor monitoringprogramma’s om bij te houden hoeveel elanden, rendieren en wilde schapen er werkelijk leven in het gebied. Ze hebben slechts één boswachter in dienst in een gebied zo groot als Groningen, Drenthe en Friesland bij elkaar. Vrij spel dus voor jachtbedrijfjes die graag een toerist aan een trofeegewei van een eland willen helpen, en voor cowboys die snel geld willen verdienen.

Maar goed, de mensen van de ‘land-use’- afdeling doen hun best om daar wat aan te veranderen en ik mag af en toe een handje helpen. Zo ben ik mee geweest met een PhD-student die schapenkeutels wilde verzamelen voor parasietenonderzoek. We vonden ze niet, maar we hadden een hoop sneeuwpret…

Een tweede keer mocht ik – per helikopter – onverwacht mee op een geweldige trip naar King Salmon Lake, een meertje midden in de wildernis 100 km ten zuiden van Atlin. Hier beginnen de zalmen van de Taku River hun reis naar zee. Doel van onze vierdaagse trip: 200 zalmen vangen (smolts, zalm van 2-3 jaar oud), meten, wegen en in potjes stoppen voor nader onderzoek. Waarom? Waar is dat goed voor? De zalm staat onder druk door overbevissing en verlies aan leefgebied. De overheid denkt de zalmpopulatie te kunnen helpen door een deel van de zalmeneieren te ‘oogsten’ uit het wild. Deze oogst wordt verder opgekweekt in speciale viskwekerijen. De gekweekte jonge zalm wordt vervolgens weer uitgezet in het meer waar ze oorspronkelijk als ei vandaan kwamen. Zo hoopt de overheid dat uiteindelijk meer  jonge zalmpjes overleven en naar zee zwemmen. Om te zien of dat ook daadwerkelijk gebeurt, wil diezelfde overheid weten hoeveel gekweekte en hoeveel wilde zalmen de tocht naar zee beginnen. Gekweekte zalmpjes groeien sneller dan hun wilde leeftijdsgenootjes, en dat zie je aan de groeiringen in hun gehoorbeentjes. Vandaar dat we die jonge zalmpjes daadwerkelijk verzamelen in potjes. Onderzoekers kunnen dan later de gehoorbeentjes eruit peuteren.

DSC_6353-bewerkt
King Salmon Lake

Mark, de TRT-visserijbioloog, is duidelijk een andere mening toegedaan. Hij vindt dat de overheid zich meer zou moeten bemoeien met de bescherming van beken, rivieren en de voortplantingsgebieden die belangrijk zijn voor zalmen. Die worden namelijk bedreigd door de bouw van dammen en open mijnbouw (daarover later meer, in een ander blog). Dat los je niet op door eieren uit wilde zalmen te halen en op te kweken. Het vangen en opofferen van jonge 200 zalmpjes is dan ook niet zijn favoriete werk. Maar wellicht laat het onderzoek straks zien dat de inspanningen van de overheid inderdaad niet bijdragen aan een betere zalmenstand.

(Dinsdagmorgen) Hoe het ook zij, binnen een paar uur nadat ik gehoord heb dat ik mee kan, sta ik bij de helikopter die ons naar het hart van het Taku River-gebied gaat brengen. De assistent die aanvankelijk mee zou, is om onbekende redenen niet komen opdagen. Schijnt vaker te gebeuren…

We worden gevlogen door Paula, de plaatselijke helikopterpilote. Onderweg mag ik het raampje openen om het adembenemende berglandschap vast te leggen. Dat valt niet mee vanuit zo’n schuddende machine. Bovendien regent het en gaan we 100 kilometer per uur. Onder ons liggen uitgestrekte bossen en maagdelijke rivierdalen, waar het water al duizenden jaren z’n eigen loop heeft. Hier en daar zijn er ook sporen van grote bosbranden. Hellingen vol kale staken met frisgroene ondergroei. Het hoort er een beetje bij, maar heel fraai is het niet.

Na een uur vliegen bereiken we onze bestemming. Een meer met aan de rand een rode houten hut. De helikopter landt op een onwaarschijnlijk klein platformpje: twee boomstammen waar de leggers van het toestel precies dwars op passen. Knap werk. Ondertussen zwiepen de wieken vlak langs de omringende bomen. Ik ben blij als de helikopter weer veilig opstijgt. Ons achterlatend met een grote berg bagage.

Nadat we onze spullen naar de hut hebben verplaatst, moeten we eerst de rommel van de vorige bewoners aan de kant vegen. De literatuur op het toilet wijst erop dat het om heren gaat, die nooit van hun moeder hebben geleerd om op te ruimen. Gezien de afgeknaagde paginaranden vinden de eekhoorns de fotoboekjes ook erg lekker. De deur van de schuur staat open en her en der liggen spullen verspreid rond het huis. Werk van een beer? Er staan genoeg pootafdrukken in het gras. Mark steek voorzichtig zijn hoofd om de hoek…: ‘Hallo?’ Gelukkig geen antwoord. Het lijkt erop dat de troep toch echt mensenwerk is. Mark schudt zijn hoofd. Samen ruimen we de boel op.

DSC_5932-bewerkt
Sporen van de Grizzly

’s Middags zetten de een fuik in de beek die het meer verlaat, in de hoop dat we voldoende zalmen vangen voor het onderzoek. Als we ’s avonds na het eten gaan kijken, hangen er verschillende groepjes jonge zalmen rond die blijkbaar op het punt staan om de grote reis naar zee te maken. We besluiten om zakelijk op te treden en de groepjes het net in te drijven. Binnen de kortste keren hebben we 200 zalmpjes gevangen en kunnen we de rest vrijlaten. Heel fijn voelt het niet om 200 van deze fraaie beestjes van hun toekomstperspectief te beroven…

DSC_5851-bewerkt

(Woensdag) De volgende dag zijn we van tien tot vijf bezig om visjes te wegen, te meten, monsters te nemen van hun schubben (een klein beetje schubben schrapen van de zijkant) en ze in potjes te stoppen. Een hoop koffie en regenachtige omstandigheden helpen om ons er snel doorheen te werken.

’s Avonds ruimen we de fuik weer op en maken we een kleine avondwandeling in de omgeving. Blijkbaar zijn we niet de enigen die het pad gebruiken. Pootafdrukken van eland en grizzly en zelfs een heuse schuurboom waar bruintje zijn vacht tegenaan heeft geschrobd. Het is een soort geurvlag plaatsen met de boodschap: ‘Hier waak ik’. Nog iets voorzichtiger vervolgen we onze weg…

 

(Donderdag) Vandaag hebben we vrij en gaan we het meer zelf verkennen. Hoewel we de cabin in lichte chaos aantroffen, is de boot met buitenboordmotor in uitstekende staat. Al gauw tuffen we het spiegelgladde meer op. Onderweg vergapen we ons aan de landschappen die voorbij glijden. De Tlingit hebben, om het meer aan hun grondgebied te kunnen toevoegen, een jacht-ondernemer uitgekocht die er voor zijn gasten een enorme blokhutvilla had neergezet. De villa is nu dus Tlingit-eigendom, maar er gebeurt helaas weinig mee. Volgens Mark heeft de gemeenschap weinig ondernemende geesten, terwijl de Taku River zeer geschikt zou zijn voor ecotoerisme.

Na een kort bezoek aan de villa lopen we een stuk het gebied in via een oud pelsjagerspad. Nog niet zo lang geleden had hier iemand zijn trap line: een reeks van vallen langs een pad, bedoeld om dieren te vangen voor hun bont. Vroeger was dit een serieuze manier om in leven te blijven: dieren vangen om hun vacht te verkopen. Nu is het een lifestyle. Zo wordt het althans verdedigd door de voorstanders. In mijn ogen is het vangen en doden van dieren voor hun vacht een nodeloos wrede  manier om van de natuur te genieten. En dubieus bovendien. De trappers vangen ook zeldzame dieren zoals veelvraat en lynx. En de eigenaars van een trap line mogen een cabin bouwen, midden in de natuur. Voor sommigen is dat reden genoeg voor deze dieronvriendelijke hobby. Nu zie ik langs het pad vooral kapotte en aangeknaagde vangkooien die her en der staan weg te rotten in het bos.

Op de terugweg naar onze eigen cabin zien we het eerste grote wild: twee elanden die rustig langs de oever staan te grazen. Ze blijven redelijk lang staan, om er dan uiteindelijk op een drafje vandoor te gaan.

’s Avonds ga ik er nog even alleen op uit. Weer de beek over, naar het pad met de grizzlybeersporen. Zo alleen ben ik toch wat alerter op eventuele geluiden die duiden op de aanwezigheid van ‘bruintje’. Er lijkt echter niets aan de hand en op de terugweg loop ik een stuk meer ontspannen over het pad. Ineens hoor ik een scherpe kraak, links van mij in de bosjes. Op mijn tenen loop ik verder. In mijn ene hand de camera en in de andere de pepperspray in de aanslag. Een harige bruine rug. Dichtbij in de beek. Te dichtbij… Snel verder op mijn tenen. Pas twintig meter verder durf ik weer stil te staan. Ik kijk. Ja, het is echt een grizzly, en een flinke ook! Met licht trillende hand richt ik de camera. Na de eerste klik schiet de beer onmiddellijk overeind. Nog voordat ik iets kan doen rukt het dier zich los van de oever en met twee sprongen is de beer verdwenen in het struikgewas. Ik draai resoluut om en vertrek met gezwinde pas in tegenovergestelde richting. In no-time sta ik aan de overzijde van de beek, blij dat ik deze bijzondere, onverwachte ontmoeting zonder kleerscheuren heb beleefd.

DSC_6400-bewerkt
De gewraakte foto: de donkere vlek is een beer…

(Vrijdag) Aangezien we vandaag weer naar de bewoonde wereld vertrekken, ben ik vandaag vroeg op pad. Voor een laatste keer ga ik nog eens proberen om de prachtige ijsduikers, die op het meer wonen, nog weer eens vast te leggen. Het is langzamerhand een dagelijks ritueel geworden: ik loop langs de oever en wacht tot de dieren uit  nieuwsgierigheid dichterbij komen zwemmen. Nu ben ik gewend dat je bij de meeste dieren zo min mogelijk aandacht moet willen trekken. Slechts sluipen of uren lang in een schuilhut zitten wordt beloond met een mooie plaat. Deze dieren vragen om een andere aanpak. Als ik telkens op dezelfde plekken opduik, verliezen ze hun aandacht en ben ik deel van de entourage. Maar zodra ik iets onverwachts doe, wijzigen de dieren hun koers en komen gauw kijken. Ik ben echt zeer benieuwd om te weten wat voor deze viseters het voordeel is van een dergelijke nieuwsgierige aard. Welk evolutionair voordeel levert het op? Ik heb echt geen idee. Ik hoor het graag.

Na een geslaagde ochtendwandeling-met-ijsduikers wordt het tijd om in te pakken. Mark en ik besluiten om nog even in alle rust op het watervliegtuigvlonder te gaan zitten, totdat de stilte wordt verscheurd door een ronkende motor. Het watervliegtuig van Chris Moser is in aantocht om ons weer terug te brengen naar de iets minder wilde wereld.

 

En dan nog wat foto’s…

Eerste kennismaking met een geweer: stevige terugslag en fluitend oor…

Red-bellied Sapsucker, Canadian Swallowtails, Tree Swallow, Rufous Hummingbird en River otter.

 

Bizons, beren en warme bronnen

 

Het was hoog tijd om weer eens met vakantie te gaan. Deze keer geen bescheiden tripje van vijf dagen, maar gewoon lekker 2,5 week. Een vakantie in twee delen werd het, oost en west, aan elkaar geknoopt om onszelf een inpaksessie en twee keer 100 km Atlin Road te besparen. Over deel twee van de vakantie later meer (spoiler: zeekajakken in Alaska!). Nu eerst ons oostelijke uitstapje, naar Liard Hot Springs Provincial Park. Dat is het park waar Marty en Jeanette, de eigenaren van ons prachtige huis hier in Atlin, elk zomerhalfjaar als rangers werken. Zij hadden ons uitgenodigd om eens langs te komen. Dat lieten wij ons natuurlijk geen twee keer zeggen.

Liard

De Google Map is wat pessimistisch; het is niet bijna 9, maar ca. 7 uur rijden naar Liard. Dat knipten we op in twee dagen. Twee zéér regenachtige dagen, met een motel-overnachting in Teslin om niet meteen met natte tenten te zitten. Regen of niet, het is prachtig daar op de grens van BC en Yukon.

Ja, je ziet het goed, daar lopen wilde bizons rond! Zomaar langs de weg. Ze zijn door overbejaging een tijdlang verdwenen geweest, maar na herintroductie nu weer bijzonder talrijk. We zagen er minstens tien op de heenweg. De jongens hielden het nauwkeurig bij, met tekeningen en turfstreepjes (links Bram, rechts Jelle).

Ze turfden niet alleen bizons, maar ook een vos (1), zwarte beren (4) en… grizzlyberen (3)! Dat waren een moederbeer en haar jongen van twee jaar terug. Ze graasden eerst in de rechterberm, staken toen de weg over na keurig links en rechts kijken, en gingen vervolgens volkomen relaxed hun gang in de linkerberm. Wat een geweldige waarneming.

605

Een ware safari dus, die kletsnatte rit naar Liard. Let op de bijzondere tekening van de rode vos hieronder – en op de zwarte beer die zijn hand gebruikt om de bloemen in zijn mond te proppen!

En het bleef gestaag regenen, die twee reisdagen én de drie dagen in Liard. We hadden in het park welgeteld drie momenten waarop het even droog was: tijdens het tent opzetten, tijdens ons eerste bezoek aan de warme bronnen, en tijdens het tent afbreken. Geluk bij een ongeluk dus! Tussendoor hadden we veel van dit soort natte maar ook wel weer knusse kampeermomenten:

Liard Hot Springs heeft een indrukwekkend stel warme bronnen die, in tegenstelling tot die in Atlin, écht warm zijn. Dat levert een bijzonder ecosysteem op, met een weelderige plantengroei, endemische vissen en kleurrijke mineralenmoerassen. Een paradijs voor plantenliefhebbers. Maar helaas is het park grotendeels afgesloten voor het publiek: helemaal beschermd. Jammer, maar ook wel begrijpelijk.

Het publieke gedeelte beperkt zich tot de poelen waar je in mag zwemmen – en de boardwalk ernaartoe, door het moeras heen. De poelen zijn werkelijk betoverend, middenin het regenbos. Het hoofdbassin is betimmerd, met badhokjes en al, maar dat hebben ze best mooi gedaan. Er is een gradiënt van heet (te heet om zelfs maar een teen in te steken) naar lauwwarm. Voor elk wat wils. Wie wegzwemt van de betimmering, komt al gauw terecht in een doolhof van half overgroeide kreekjes.

En wat kun je in de stromende regen nu beter doen dan ronddobberen in warm water, midden tussen de paardenstaarten, varens, kamperfoelie en drieteenspechten? Wij, die normaal te nuchter zijn om wellness lang leuk te vinden, waren er niet weg te slaan. Vooral het verkennen van de smalle kreekjes vonden we leuk – hoewel het water daar wel snel kouder werd. Oh, hoe heerlijk om dan weer terug te zwemmen naar die weldadige warmte…

Wonderlijk genoeg wordt je huid er niet rimpelig van, ook niet na een paar uur. Dat schijnt te komen door de mineralen in het water. Dankzij het hoge zwavelgehalte ruikt het er heerlijk moerassig (Bram: “…naar scheetjes!”) – en worden zilveren trouwringen pikzwart, ontdekten we.

En dan weer pasta koken in de regen en om halfnegen je slaapzak in om weer op te warmen. Want die bronnen mogen dan wel warm zijn, op de camping was het een magere tien graden. Maar er was wel wildlife te zien. Die groene tentjes achter de bizon, die zijn van ons.

646

En ondanks de regen (of misschien wel dankzij?) wist Teun in het moeras deze prachtige plaat te maken – onze eerste eland met gewei!

613

Maar drie hele dagen ronddobberen, dat was ons toch te gortig. Op de derde dag maakten we dus een uitstapje naar een naburig natuurpark, Muncho Lake, ongeveer 50 km naar het zuidoosten. En daar kwamen we zowaar terecht in een heel ander ecosysteem: de Northern Rockies! Compleet met ruige bergen, kale morenes en alpiene flora!

Maar toen waren we zo vaak en zo lang natgeregend dat het ook wel weer best was om weg te gaan. Ondanks de goede zorgen van onze eigen rangers Marty en Jeanette, die onze moed erin hielden met mooie verhalen, zelfgebakken koekjes, gratis brandhout, ranger-buttons, kleurplaten, en loeppotjes om natuurvondsten in te bekijken.

Gestage regen op de terugweg, maar ook genoeg moois te zien!

Maar ook wel weer zodanig klaar met de natte kampeerspullen dat we ons vertrouwde motel in Teslin nog maar eens opzochten… “Please do not bring your wet camping gear into the room…”

655

En zo eindigde onze vakantie deel I met droge spullen. Wie benieuwd is naar deel II (zeekajakken met bruinvissen en zeeleeuwen (en met kleuters), kamperen in écht gaaf oerbos, en ontbijten met bultruggen op 20 m afstand), moet nog even geduld hebben… Die 1500 foto’s moeten we nog even uitzoeken. Hieronder als troost nog wat impressies van Liard.

(Nienke)

665

Nieuwe gezichten

Wat een slecht idee om een blog te willen schrijven over alle nieuwe dieren die we hier steeds maar weer om ons huis heen ontdekken. Het worden er namelijk steeds meer, bijna dagelijks en dus blijf ik het schrijven maar uitstellen. Zeker als je al je waarnemingen ook nog wil voorzien van een leuke foto. Enfin, hier is dan toch de voorlopige lijst.

Te beginnen met … de zwarte beer…  Onze buurman aan de noordzijde had ons ervan verzekerd dat alle angst rond het hebben van een composthoop overdreven was, dat hij in 10 jaar tijd drie beren heeft gezien in zijn tuin en dat we met onze gillende kinderen niet hoefden te verwachten dat wij ooit een beer in de tuin zouden aantreffen. Inmiddels hebben we in onze tuin evenveel beren gezien als de buurman in 10 jaar en jawel, één van deze waarnemingen was bij de composthoop. Dus…

DSC_5562-bewerkt
‘Benno’ bij de voormalige composthoop

Gelukkig renden de beren tot nu toe vooral hard weg als we onze hoofd om de hoek staken. Toch was de compostbeer, Benno gedoopt, niet snel genoeg om aan onze camera’s te ontsnappen.

Een andere bijzondere gast is onze huiskolibrie, een vrouwtje van de rufous hummingbird. Nadat een eerste kolibrie tijdens het avondeten voor ons raam ‘hing’, hebben we meteen de volgende dag een speciale voederfles gekocht. Spuuglelijk ding, maar voor kolibries is hij onweerstaanbaar! Al diezelfde dag kwam ‘onze’ kolibriedame langs om een portie suikerwater uit de voederfles te halen. Sindsdien is ze vaste klant, heeft ze een naam -Roosje- en verdedigt ze haar voederfles tegen elke andere kolibrie die zich in de buurt waagt.

DSC_3807-bewerkt
‘Roosje’ bij haar feeder

De kolibries zijn niet alleen spectaculair vanwege hun vliegkunsten (achteruit, vooruit vliegen, stilhangen, meer dan 50 vleugelslagen per seconde), maar ook vanwege de afstanden die ze afleggen. Ze vliegen heen en weer van Mexico naar Alaska en Noord-Canada. Dat is grofweg 5000 km, het verst van alle kolibriesoorten.

DSC_3825-bewerkt
‘Roosje’ op de uitkijk

Kolibries zijn niet de enige ‘nieuwe’ vogels hier. Elke ochtend klinkt sinds enige tijd een waar orkest van zangertjes door de tuin. De American robin, een soort lijster, voert de boventoon, gevolgd door de yellow-rumped warbler, een klein opdondertje met een grijs gestreept pakje en enkele opvallend gele strepen op zijn ‘romp’. Vandaar de naam dus. Enige dagen geleden streek de eerste ‘flicker’ neer in de tuin. Voor de duidelijkheid, het gaat hier om een soort specht. Het dier timmerde met zijn snavel enthousiast op de vleermuiskast. We hopen dat de kast leeg was, want het geratel was oorverdovend.

Opvallend zijn de golven van trekvogels die je van week tot week ziet doorkomen. De ene week zit de tuin vol gorzen, de week erna zijn het weer heel andere soorten. Op Atlin Lake (toch ook een beetje rond het huis) zijn inmiddels de eerste ijsduikers neergestreken (ook dit zijn vogels). Grappig genoeg is het geluid dat ze maken veel bekender dan de dieren zelf.  Wie regelmatig Amerikaanse films kijkt, hoort van tijd tot tijd de melancholische roep van het dier voorbij komen. Prachtig, zeker in combinatie met het avondlicht dat hier met de dag fraaier wordt.

DSC_6261-bewerkt
IJsduikers

Er staan steeds meer bloemen in bloei en het aantal vlinders neemt in rap tempo toe. Er vliegt hier veel herkenbaars rond, zo lijkt het. Alleen de aantallen per soort zijn nogal anders dan in Nederland. Zo vliegen hier overal rouwmantels rond alsof het koolwitjes zijn, terwijl witjes juist een zeldzaamheid lijken. Maar het seizoen is pas begonnen, dus  het is nog een beetje vroeg voor dergelijke bespiegelingen. Afgelopen weekend zagen we de eerste Canadian swallowtails, een soort koninginnenpages, langs fladderen. Het is afwachten of de monarchvlinders dit jaar zo noordelijk gaan komen. Deze soort komt helemaal uit Mexico gevlogen, maar vliegt normaal niet zover door als onze kolibrie. Als het voorjaar echter zo mooi blijft als het nu is (warm en droog), dan is er een kans dat ze toch iets verder doorvliegen naar het noorden…

DSC_5611-bewerkt
Canadian Swallowtail

Naast echte nieuwkomers zijn er ook een hoop dieren die met het warmere weer wat meer uit hun schuilplaatsen komen; meer zichtbaar zijn, zoals herten, elanden en boomstekelvarkens. Nooit gedacht dat boomstekelvarkens zo algemeen voorkwamen in deze streken. ’s Avonds kun je niet langs de weg lopen zonder dat zich ergens een bos cocktailprikkers haastig uit de voeten maakt. Nog vaker gebeurt het echter dat ze nauwelijks opkijken van hun avondmaal en pas zeer laat doorkrijgen dat ze gezelschap hebben. Ze richten zich dan eerst traag op hun achterpoten op en als ze je dan eindelijk zien met hun kippige kleine kraalogen, dan trekken ze een onhandig sprintje van de helling of klimmen haastig in een boom.

DSC_5658-bewerkt
Boomstekelvarken, in typische pose langs de weg…

Gisteren hadden we ineens bezoek van een prachtige vos. Gek genoeg is het dezelfde soort als die we in Nederland hebben, terwijl ze er qua uiterlijk behoorlijk anders uitzien. Ze komen hier voor in drie varianten: rood, zwart en gemixt rood/zwart, en zijn hier anderhalf keer zo groot als in Nederland. Wij kregen bezoek van de zwarte variant. Het dier was zo tam dat zelfs de blaffende hond die we op bezoek hadden hem niet deed vluchten. Wellicht dat iemand in de buurt de vos voert…?

DSC_5724-bewerkt
De vos
DSC_5737-bewerkt
En nog een plaatje van de vos

We zien regelmatig sporen in de tuin van elanden. Hun pootafdrukken zijn twee keer zo groot als die van een gemiddelde koe. De dieren zelf hebben we nog niet in de tuin gezien, maar wel 200 meter van ons huis.  Vanochtend vroeg lag er ineens een muledeer  (sitkahert) naast ons huis te herkauwen. Men zegt dat de muledeer zich hier pas kortgeleden hebben gevestigd en dat met hun komst ook de mountain lion (poema) steeds vaker wordt gezien. De herten zijn de voornaamste prooi van de poema’s. En als we die toch eens te zien krijgen…

DSC_4500-bewerkt
Eland

 

DSC_3622-bewerkt
Sitkahert

De wildcamera blijft voorlopig op z’n plek, in afwachting van wat komen gaat. Wordt vervolgd.

Teun

Uitstapje naar Alaska

Deze hele reis is natuurlijk één grote vakantie, maar aangezien we op één plek wonen en de kinderen ‘gewoon’ naar school gaan, voelt het toch extra als vakantie als we dan de auto inpakken en een paar dagen weggaan. Dat hadden we tot nu toe nog niet gedaan, maar nu is het vakantieseizoen losgebarsten. Te beginnen, vorige week, met een tripje naar Alaska. Naar een hutje van de US Forest Service bij de Laughton Glacier. Dat hutje kun je huren voor $45 per nacht; een tip van onze vriendin Cathie. Het ligt op 2,5 km lopen van een treinstationnetje. Van een historische smalspoorbaan, welteverstaan: de White Pass & Yukon Railroad. Daar een ritje mee maken is al een doel op zich!

alaska_laughton

Om met die trein te gaan moet je eerst naar Skagway rijden, 3,5 uur verderop, aan de kust in Alaska. De reis begint goed: al even buiten Atlin zien we een eland en ook een zwarte beer, een jong exemplaar dat lekker paardenbloemen aan het grazen is en zich rustig laat bekijken. Nienke zit achter het stuur, Teun hangt met zijn telelens uit het raam.

366

We rijden langs het fraaie dorpje Carcross (een afkorting, zo leren we, van Caribou Crossing), dat in een lieflijk toendralandschap ligt tussen de prachtigste bergen en meren, en komen dan letterlijk bij het volgende hoogtepunt: de White Pass. Dat is de beroemde pas (871 meter boven zeeniveau) tussen Alaska en Canada, waar tienduizenden goudzoekers zich eind 19de eeuw te voet, te paard en per hondenslee doorheen worstelden en bij bosjes crepeerden. Nu ligt er een luxe autoweg. Op sommige plekken zie je het smalspoor van de trein, dat deels dezelfde route volgt. Dat spoor is aangelegd in 1898-1900, met onvoorstelbare ingenieurskunst: langs ravijnen en over kolkende rivieren – en door adembenemend merenlandschap.

En dan ben je over de pas, de grens over, en daal je halsoverkop naar zeeniveau – en naar de lente. In Skagway lopen alle bomen en bloemen een paar weken voor op Atlin. Ongelooflijk! Jelle ritst meteen zijn broek af – geef hem eens ongelijk!

Skagway is een maf stadje: helemaal nog in de oude, houten pioniersstijl (evenals Atlin trouwens), maar dan wel ingericht op massaal cruisetoerisme. Tussen mei en oktober leggen hier dagelijks een à twee megaschepen aan met elk duizenden toeristen aan boord. Die struinen dan Broadway, Main en State Street van Skagway af, van kunst- naar bont- en andere souvenirwinkel. Omringd door besneeuwde bergtoppen, weelderig bos, zeelucht en krijsende meeuwen. ’s Avonds eten al die drommen in luxe aan boord van hun schip, dus kunnen wij rustig neerstrijken tussen de locals bij het visrestaurant in de haven.

De volgende ochtend is het tijd voor ons spooravontuur! Er is die dag geen cruiseschip, dus de treinen zijn gecanceld – maar omdat wij nu eenmaal hebben gereserveerd, en er ook een kamperend stel moet worden opgehaald bij de stop waar wij eruit moeten, krijgen wij een privébehandeling: een locomotief met één wagon die speciaal voor ons (en dus voor die andere kampeerders) de bergen in gaat! Wat een feest.

Ongelooflijk om, staand op dat balkon, die ravijnen, watervallen en bergwanden vlakbij te zien voorbijglijden…

Bij Jelles gezicht hierboven, net na het oversteken van deze rivier per brug, hoort de quote: “Wow! Was juf uit Nederland nu maar hier! En tante Kike!” Rechtsonder zie je een dubbel beeld: Teun, Nienke en berg weerspiegeld in de achterruit van de treinwagon.

Na 45 minuten stopt de trein bij het beginpunt van onze wandeling. Daar sta je dan, met je rugzakken en je eten – vier dagen aan je lot overgelaten in de wildernis. Hier komt alleen twee keer per dag deze trein langs – de autoweg én andere wandelroutes zijn kilometers weg. Vanaf hier kun je alleen maar een zijdal in lopen, richting de gletsjer.

323

En dan loop je opeens door schitterend maagdelijk regenwoud, onderdeel van het gigantische Tongass National Forest van Zuidoost Alaska. Hier is alleen gekapt voor onderhoud van het pad. Enorme dode bomen liggen kriskras door het bos, overgroeid met felgroene mospakketten en paddenstoelen. Overal kabbelende beekjes, hier en daar nog sneeuw, de eerste bloeiende bloemen, en steeds maar het ge’hoe-hoe-hoe’ van een grouse, een hoen, die ons eerst een tijdje doet geloven dat hij een uil is.