Nieuwe gezichten

Wat een slecht idee om een blog te willen schrijven over alle nieuwe dieren die we hier steeds maar weer om ons huis heen ontdekken. Het worden er namelijk steeds meer, bijna dagelijks en dus blijf ik het schrijven maar uitstellen. Zeker als je al je waarnemingen ook nog wil voorzien van een leuke foto. Enfin, hier is dan toch de voorlopige lijst.

Te beginnen met … de zwarte beer…  Onze buurman aan de noordzijde had ons ervan verzekerd dat alle angst rond het hebben van een composthoop overdreven was, dat hij in 10 jaar tijd drie beren heeft gezien in zijn tuin en dat we met onze gillende kinderen niet hoefden te verwachten dat wij ooit een beer in de tuin zouden aantreffen. Inmiddels hebben we in onze tuin evenveel beren gezien als de buurman in 10 jaar en jawel, één van deze waarnemingen was bij de composthoop. Dus…

DSC_5562-bewerkt
‘Benno’ bij de voormalige composthoop

Gelukkig renden de beren tot nu toe vooral hard weg als we onze hoofd om de hoek staken. Toch was de compostbeer, Benno gedoopt, niet snel genoeg om aan onze camera’s te ontsnappen.

Een andere bijzondere gast is onze huiskolibrie, een vrouwtje van de rufous hummingbird. Nadat een eerste kolibrie tijdens het avondeten voor ons raam ‘hing’, hebben we meteen de volgende dag een speciale voederfles gekocht. Spuuglelijk ding, maar voor kolibries is hij onweerstaanbaar! Al diezelfde dag kwam ‘onze’ kolibriedame langs om een portie suikerwater uit de voederfles te halen. Sindsdien is ze vaste klant, heeft ze een naam -Roosje- en verdedigt ze haar voederfles tegen elke andere kolibrie die zich in de buurt waagt.

DSC_3807-bewerkt
‘Roosje’ bij haar feeder

De kolibries zijn niet alleen spectaculair vanwege hun vliegkunsten (achteruit, vooruit vliegen, stilhangen, meer dan 50 vleugelslagen per seconde), maar ook vanwege de afstanden die ze afleggen. Ze vliegen heen en weer van Mexico naar Alaska en Noord-Canada. Dat is grofweg 5000 km, het verst van alle kolibriesoorten.

DSC_3825-bewerkt
‘Roosje’ op de uitkijk

Kolibries zijn niet de enige ‘nieuwe’ vogels hier. Elke ochtend klinkt sinds enige tijd een waar orkest van zangertjes door de tuin. De American robin, een soort lijster, voert de boventoon, gevolgd door de yellow-rumped warbler, een klein opdondertje met een grijs gestreept pakje en enkele opvallend gele strepen op zijn ‘romp’. Vandaar de naam dus. Enige dagen geleden streek de eerste ‘flicker’ neer in de tuin. Voor de duidelijkheid, het gaat hier om een soort specht. Het dier timmerde met zijn snavel enthousiast op de vleermuiskast. We hopen dat de kast leeg was, want het geratel was oorverdovend.

Opvallend zijn de golven van trekvogels die je van week tot week ziet doorkomen. De ene week zit de tuin vol gorzen, de week erna zijn het weer heel andere soorten. Op Atlin Lake (toch ook een beetje rond het huis) zijn inmiddels de eerste ijsduikers neergestreken (ook dit zijn vogels). Grappig genoeg is het geluid dat ze maken veel bekender dan de dieren zelf.  Wie regelmatig Amerikaanse films kijkt, hoort van tijd tot tijd de melancholische roep van het dier voorbij komen. Prachtig, zeker in combinatie met het avondlicht dat hier met de dag fraaier wordt.

DSC_6261-bewerkt
IJsduikers

Er staan steeds meer bloemen in bloei en het aantal vlinders neemt in rap tempo toe. Er vliegt hier veel herkenbaars rond, zo lijkt het. Alleen de aantallen per soort zijn nogal anders dan in Nederland. Zo vliegen hier overal rouwmantels rond alsof het koolwitjes zijn, terwijl witjes juist een zeldzaamheid lijken. Maar het seizoen is pas begonnen, dus  het is nog een beetje vroeg voor dergelijke bespiegelingen. Afgelopen weekend zagen we de eerste Canadian swallowtails, een soort koninginnenpages, langs fladderen. Het is afwachten of de monarchvlinders dit jaar zo noordelijk gaan komen. Deze soort komt helemaal uit Mexico gevlogen, maar vliegt normaal niet zover door als onze kolibrie. Als het voorjaar echter zo mooi blijft als het nu is (warm en droog), dan is er een kans dat ze toch iets verder doorvliegen naar het noorden…

DSC_5611-bewerkt
Canadian Swallowtail

Naast echte nieuwkomers zijn er ook een hoop dieren die met het warmere weer wat meer uit hun schuilplaatsen komen; meer zichtbaar zijn, zoals herten, elanden en boomstekelvarkens. Nooit gedacht dat boomstekelvarkens zo algemeen voorkwamen in deze streken. ’s Avonds kun je niet langs de weg lopen zonder dat zich ergens een bos cocktailprikkers haastig uit de voeten maakt. Nog vaker gebeurt het echter dat ze nauwelijks opkijken van hun avondmaal en pas zeer laat doorkrijgen dat ze gezelschap hebben. Ze richten zich dan eerst traag op hun achterpoten op en als ze je dan eindelijk zien met hun kippige kleine kraalogen, dan trekken ze een onhandig sprintje van de helling of klimmen haastig in een boom.

DSC_5658-bewerkt
Boomstekelvarken, in typische pose langs de weg…

Gisteren hadden we ineens bezoek van een prachtige vos. Gek genoeg is het dezelfde soort als die we in Nederland hebben, terwijl ze er qua uiterlijk behoorlijk anders uitzien. Ze komen hier voor in drie varianten: rood, zwart en gemixt rood/zwart, en zijn hier anderhalf keer zo groot als in Nederland. Wij kregen bezoek van de zwarte variant. Het dier was zo tam dat zelfs de blaffende hond die we op bezoek hadden hem niet deed vluchten. Wellicht dat iemand in de buurt de vos voert…?

DSC_5724-bewerkt
De vos
DSC_5737-bewerkt
En nog een plaatje van de vos

We zien regelmatig sporen in de tuin van elanden. Hun pootafdrukken zijn twee keer zo groot als die van een gemiddelde koe. De dieren zelf hebben we nog niet in de tuin gezien, maar wel 200 meter van ons huis.  Vanochtend vroeg lag er ineens een muledeer  (sitkahert) naast ons huis te herkauwen. Men zegt dat de muledeer zich hier pas kortgeleden hebben gevestigd en dat met hun komst ook de mountain lion (poema) steeds vaker wordt gezien. De herten zijn de voornaamste prooi van de poema’s. En als we die toch eens te zien krijgen…

DSC_4500-bewerkt
Eland

 

DSC_3622-bewerkt
Sitkahert

De wildcamera blijft voorlopig op z’n plek, in afwachting van wat komen gaat. Wordt vervolgd.

Teun

Advertenties

Uitstapje naar Alaska

Deze hele reis is natuurlijk één grote vakantie, maar aangezien we op één plek wonen en de kinderen ‘gewoon’ naar school gaan, voelt het toch extra als vakantie als we dan de auto inpakken en een paar dagen weggaan. Dat hadden we tot nu toe nog niet gedaan, maar nu is het vakantieseizoen losgebarsten. Te beginnen, vorige week, met een tripje naar Alaska. Naar een hutje van de US Forest Service bij de Laughton Glacier. Dat hutje kun je huren voor $45 per nacht; een tip van onze vriendin Cathie. Het ligt op 2,5 km lopen van een treinstationnetje. Van een historische smalspoorbaan, welteverstaan: de White Pass & Yukon Railroad. Daar een ritje mee maken is al een doel op zich!

alaska_laughton

Om met die trein te gaan moet je eerst naar Skagway rijden, 3,5 uur verderop, aan de kust in Alaska. De reis begint goed: al even buiten Atlin zien we een eland en ook een zwarte beer, een jong exemplaar dat lekker paardenbloemen aan het grazen is en zich rustig laat bekijken. Nienke zit achter het stuur, Teun hangt met zijn telelens uit het raam.

366

We rijden langs het fraaie dorpje Carcross (een afkorting, zo leren we, van Caribou Crossing), dat in een lieflijk toendralandschap ligt tussen de prachtigste bergen en meren, en komen dan letterlijk bij het volgende hoogtepunt: de White Pass. Dat is de beroemde pas (871 meter boven zeeniveau) tussen Alaska en Canada, waar tienduizenden goudzoekers zich eind 19de eeuw te voet, te paard en per hondenslee doorheen worstelden en bij bosjes crepeerden. Nu ligt er een luxe autoweg. Op sommige plekken zie je het smalspoor van de trein, dat deels dezelfde route volgt. Dat spoor is aangelegd in 1898-1900, met onvoorstelbare ingenieurskunst: langs ravijnen en over kolkende rivieren – en door adembenemend merenlandschap.

En dan ben je over de pas, de grens over, en daal je halsoverkop naar zeeniveau – en naar de lente. In Skagway lopen alle bomen en bloemen een paar weken voor op Atlin. Ongelooflijk! Jelle ritst meteen zijn broek af – geef hem eens ongelijk!

Skagway is een maf stadje: helemaal nog in de oude, houten pioniersstijl (evenals Atlin trouwens), maar dan wel ingericht op massaal cruisetoerisme. Tussen mei en oktober leggen hier dagelijks een à twee megaschepen aan met elk duizenden toeristen aan boord. Die struinen dan Broadway, Main en State Street van Skagway af, van kunst- naar bont- en andere souvenirwinkel. Omringd door besneeuwde bergtoppen, weelderig bos, zeelucht en krijsende meeuwen. ’s Avonds eten al die drommen in luxe aan boord van hun schip, dus kunnen wij rustig neerstrijken tussen de locals bij het visrestaurant in de haven.

De volgende ochtend is het tijd voor ons spooravontuur! Er is die dag geen cruiseschip, dus de treinen zijn gecanceld – maar omdat wij nu eenmaal hebben gereserveerd, en er ook een kamperend stel moet worden opgehaald bij de stop waar wij eruit moeten, krijgen wij een privébehandeling: een locomotief met één wagon die speciaal voor ons (en dus voor die andere kampeerders) de bergen in gaat! Wat een feest.

Ongelooflijk om, staand op dat balkon, die ravijnen, watervallen en bergwanden vlakbij te zien voorbijglijden…

Bij Jelles gezicht hierboven, net na het oversteken van deze rivier per brug, hoort de quote: “Wow! Was juf uit Nederland nu maar hier! En tante Kike!” Rechtsonder zie je een dubbel beeld: Teun, Nienke en berg weerspiegeld in de achterruit van de treinwagon.

Na 45 minuten stopt de trein bij het beginpunt van onze wandeling. Daar sta je dan, met je rugzakken en je eten – vier dagen aan je lot overgelaten in de wildernis. Hier komt alleen twee keer per dag deze trein langs – de autoweg én andere wandelroutes zijn kilometers weg. Vanaf hier kun je alleen maar een zijdal in lopen, richting de gletsjer.

323

En dan loop je opeens door schitterend maagdelijk regenwoud, onderdeel van het gigantische Tongass National Forest van Zuidoost Alaska. Hier is alleen gekapt voor onderhoud van het pad. Enorme dode bomen liggen kriskras door het bos, overgroeid met felgroene mospakketten en paddenstoelen. Overal kabbelende beekjes, hier en daar nog sneeuw, de eerste bloeiende bloemen, en steeds maar het ge’hoe-hoe-hoe’ van een grouse, een hoen, die ons eerst een tijdje doet geloven dat hij een uil is.

De kleine mannetjes houden zich erg dapper, elk met hun kleine rugzakje met daarin waterfles, knuffel, speelgoedauto en kaartspelletje. Maar op de foto rechtsonder begint Jelle er toch wel een beetje genoeg van te krijgen. Ook al is het maar 2,5 kilometer. Maar dan opeens verschijnt dit beeld tussen de bomen:

325

Ons hutje! Nou ja, de eerlijkheid gebiedt te vertellen dat het de eerste twee dagen bewolkt is (maar wel droog!) en dat wij pas op dag drie in de gaten krijgen hoe onwaarschijnlijk mooi de omringende bergen zijn. Het hutje is er een uit een sprookje:

Geen water en elektriciteit, natuurlijk. We pompen drinkwater door een speciaal filter uit een helder beekje, we genieten van de zon tot een uur of 22 (uitzicht op berghelling aan de overkant, met berggeiten en een enkele zwarte beer) en steken daarna een kaars aan. En om ’s nachts toch een beetje de natte sokken en schoenen te kunnen drogen, en kou-gerelateerd bedplassen te voorkomen (door schade en schande wijs geworden), stoken we een beetje bij met de ouderwetse kerosinekachel. Ja, we hebben twee gallons kerosine mee de berg op gesleept. Dat zijn die witte tankjes die je eerder aan Teuns rugzak zag hangen.

We spelen vooral bij de beek, de hele dag. Maar we proberen natuurlijk ook wat dichterbij de Laughton Glacier te komen. Die zie je niet vanuit de hut, maar wel als je even 20 meter om de hoek loopt, naar de beekbedding. De eerste twee dagen is de gletsjer zelf niet echt te zien, maar wel de prachtige pieken in de mist en in de sneeuw.

Nienke probeert nog een uurlang in haar eentje de voet van de gletsjer te bereiken, maar er ligt te veel sneeuw! Ongeveer een halve meter dik, stevig genoeg om op te lopen, maar de sneeuwlaag ligt op een ruig morenelandschap met scherpe rotsblokken waar je om de tien stappen met je been tussen zakt. Tot je middel in de sneeuw, tot je knie tussen de rotsen – waarbij je zomaar je been kan breken. Blauwe bloedende schenen. Dat is dus geen veilige wandeling, niet handig zo ver van de bewoonde wereld – dus Nienke keert onverrichter zake terug, hoezeer de gletsjer ook lokt.

De volgende dag is het opeens stralend mooi weer. Opnieuw in de beek spelen dus, met uitzicht op de gletsjer. Nu ziet het landschap er zo uit:

Dus Nienke kan het weer niet laten en probeert opnieuw de voet van de gletsjer te bereiken, ditmaal via de beekbedding. Maar dat gaat al niet veel beter. Waden tot kniediep door de ijskoude beek, nu en dan noodgedwongen toch weer door de diepe sneeuw, opnieuw blauwe schenen. Toch maar weer terug, ditmaal al na twintig minuten – maar het levert wel een schitterend landschap op.

335

Intussen spelen de mannetjes en Teun heerlijk in de beek. Teun maakt nog even wat fotografie-uitstapjes als Nienke hem weer heeft afgewisseld.

Rechtsonder steken wij met zijn allen over een boomstam de woest bruisende gletsjerbeek over. Dat doen die kleine mannetjes in een handomdraai. En dat pluizige spul dat je daarboven bij tegenlicht in een boom ziet hangen, is baardmos. Ze zouden het eigenlijk snormos moeten noemen, vinden wij.

En dan is het alweer tijd voor de terugreis. Weer door het feeërieke regenbos, weer stenen gooien bij de mooie waterval, een uurtje wachten op de trein, en gaan! Ditmaal wel in een toeristentrein op volle lengte, maar als stinkende kampeerders krijgen wij wel een eigen coupé. Dus ook een eigen balkon, wat zeer luxe is met fotograferen.

En weer belanden we in Skagway in een ongelooflijk mooi zomerweer. We maken nog even een uitstapje naar een fjord verderop, in de hoop nog even wat zeezoogdieren te spotten. En dat lukt! Een vermoedelijke bruinvis (Dall’s porpoise) en een stuk of twintig gewone zeehonden die zich gedragen als zeeleeuwen: met de lente in de bol springen ze half uit het water en spetteren ze veelvuldig met hun staartflippers.

En dan weer terug de kou in, naar het Arctische landschap van de White Pass! Steeds even stoppen natuurlijk, om stenen te gooien waarmee je de perfecte spiegeling verpest. Maar eerst even papa een foto laten nemen.

411

En dan ontvouwt zich tijdens het rijden een waanzinnig tafereel aan ons oog: een groep sneeuwganzen die ons tegemoet komt vliegen, steeds lager, bijna frontaal tegen de voorruit! De uitgeputte dieren (net uit Mexico aangekomen) strijken neer op het wegdek, pal voor onze neus, en beginnen te grazen in de wegkant. Wij houden ons hart vast: het langsrazende verkeer kan ze maar nauwelijks ontwijken. Als ze weer de lucht in gaan, vliegen ze op ooghoogte met ons mee. Nienke rijdt, Teun hangt met zijn telelens uit het raam:

En ook daarna houdt de gekkigheid niet op. Eén minuut na de sneeuwganzen zien we deze jongen in de wegkant liggen. Hij gaat onverstoorbaar door met grazen. Maar hij is wel zo dichtbij en zo groot dat we onze vingers op de knopjes van de raambediening houden. Want je weet maar nooit. De jongens vinden het prachtig en maken elk zelf ook een foto – die zie je rechtsonder.

420

En daarna zien we op die ene autotocht nog negen zwarte beren, 24 stekelvarkens, drie elanden, drie zeearenden en een bever. Die laatste zwemt in gouden avondlicht in Atlin Lake, waar we nog even stoppen om tanden te poetsen. Want vanaf het puntje van Atlin Lake is het nog een uur rijden naar huis. Tegen die tijd (22 uur) zijn de jongens dan toch in slaap gevallen. De laatste ‘porkiepainies’ krijgen ze dan ook niet meer mee. Maar misschien is hun harde schijf al wel vol genoeg, na zo’n ongelooflijke reis. En dat alles in maar vijf dagen.

(Nienke)

En dan hier nog even de gebruikelijke bonusplaatjes:

314

Brams bericht aan opa en oma: “Wij gaan naar de osieaan!”

Berggeiten op White Mountain

365

Geelpootruiter

Snorremanzen in het avondlicht, moegestreden

337

Grote broer wijst de berggeiten aan, op de helling tegenover de cabin.

382

Kanoën, klimmen en klieren

De kop is eraf! Het kanoseizoen is begonnen! Het ijs is bijna helemaal verdwenen van Palmer Lake, dus het werd hoog tijd om daar eens te gaan varen. We hadden ontdekt dat er vlak bij de weg een oude oranje kano in de struiken lag. Bij de dichtstbijzijnde cabin was niemand thuis, de ramen waren zelfs nog dichtgespijkerd, dus we namen maar aan dat de zomerbewoners er geen bezwaar tegen zouden hebben als wij hun kano even een middagje zouden lenen. Peddels lagen er helaas niet, maar met planken kom je ook prima vooruit.

218

Nu konden we meteen Teuns verjaardagscadeautje uitproberen: een hengel! Trial and error, want we hadden geen flauw idee hoe dat eigenlijk moet, vissen. Al die verschillende haken, dobbers, glimmers, zinkers, nepwormen… En hoe diep moet je dan vissen? Stil laten hangen of wiebelen? Nog best lastig met die flinke wind (en dus flinke vaart) op het midden van het meer. Het resultaat was dan ook… een heerlijk dagje kanoën, en ’s avonds geen verse vis, maar lasagna met bisongehakt. Ook niet slecht.

Hierboven een selectie van het wildlife dat zich wél liet zien: een otter en een gebandeerde ijsvogel. Verder zagen we onze eerste ijsduiker van het seizoen, die ook meteen zijn melancholieke klaagzang over het water liet schallen. En later op de middag nóg een otter, plus een steenarend. Jarige Teun was dus dik tevreden.

Een paar dagen eerder hadden we Brams verjaardag. Vijf jaar alweer! We hadden alle kleine jongetjes van het dorp uitgenodigd (vier stuks), maar helaas konden er maar twee. Toch genoeg voor een vrolijke middag met taart, kampvuur en honkballen. Met Brams nieuwe honkbalknuppel. Hij weet ze flink te raken!

Het vissen is dus weliswaar nog geen succes, maar we hebben al wel zelf een andere maaltijd binnengebracht: een prachtige ruffed grouse (soort hazelhoen). Roadkill. Niet door onszelf doodgereden, maar wel zelf opgeraapt uit de wegkant. Kakelvers, dus zonde om te laten liggen. Hier kwam Teuns snij-ervaring van Naturalis maar al te best van pas. Heerlijk met een uitje en knoflook – iets steviger en smakelijker dan kipfilet.

Maar het meeste genieten we toch van levende dieren. Dat kan hier gewoon vanaf de eettafel. Boomklever op de voederplank, raaf in de boomtoppen, eekhoorntjes op de takken. Chipmunk op de veranda. Lynx in de achtertuin.

Je hoeft de deur dus niet uit voor avontuur – maar dat doen we natuurlijk wel. Nienke is soms ’s morgens aan het werk (Nederlandse opdrachten), maar Teun struint elke ochtend in zijn eentje de omgeving af. Een paar keer per week gaat Nienke mee. Dan hebben we even een paar uurtjes zonder kinderen, waarin we wat meer kilometers kunnen maken. Of hoogtemeters, zoals tijdens deze beklimming van Monarch Mountain, de berg achter ons huis.

229

De top haalden we helaas net niet, door tijdgebrek. We moesten natuurlijk al om 12:30 de jongens weer van school halen. En daarnaast waren we niet alleen non-stop aan het doorklimmen, maar namen we ook de tijd om de ontluikende lenteflora te fotograferen. Die paarse noemen ze hier wild crocus, maar het is eigenlijk een soort wildemanskruid.

Maar ook met de jongetjes erbij maken we mooie tochten. Dat gaat nog wel samen met het nodige gepiep, maar als we maar genoeg momenten inbouwen waarop er geklommen, gegooid, gestookt en afgedamd mag worden (en gegeten), dan gaat het goed.

En dan was er nog deze geweldige excursie van afgelopen weekend: klimmen op de rotsen van White Mountain, een uur naar het noorden! Met vier volwassenen en vijf kleine jongetjes was dat een groot succes. Teun, Bram en Jelle zagen tijdens een klein ommetje ook nog berggeiten, een steenarend en een zeearend.

Plus op de heenweg een grizzly langs de weg – en op de terugweg een zwarte beer! Ze waren allebei te snel voor de camera, maar wát een waarnemingen. Ze zijn er dus echt!

En voor de mensen die nu denken: ‘gedver, wat een eindeloze idylle, gaat dan alles gesmeerd bij die lui?’ is hier nog even een relativerende opmerking. We maken natuurlijk vooral foto’s van lachende mensen, fraaie landschappen en mooi weer. En dan selecteren we ook nog eens de meest idyllische foto’s voor dit blog. Maar wees gerust. We hebben hier óók lange dagen met mist en regen, nu al veel muggen, hele valleien die voor de goudindustrie op de schop zijn gegaan (en nog steeds gaan), mislukkende broden, een wc die slecht doortrekt (linke soep, laatst bijna over de rand), en takkedure boodschappen. En jongetjes die eindeloos ruzie maken, klieren, huilen en roepen dat ze naar huis willen. Dat laatste is voor ons bijna niet te geloven, en we denken ook niet dat het gemiddeld echt waar is (alleen als ze moeten wandelen en als ze allang in bed hadden moeten liggen). Maar het is wel iets om rekening mee te houden. Ze missen echt hun vriendjes, hun eigen bed en hun speelgoed thuis. Ze doen het fantastisch, laat dat duidelijk zijn – maar er wordt hier aanzienlijk meer geruzied, geklierd en gehuild dan thuis. We zoeken naar manieren om daar goed mee om te gaan. Iemand ideeën? Van harte welkom. In de tussentijd nog even wat jaloersmakende plaatjes.

255

250Ons huis. En een spiegelglad meer.

206

204De prachtige papieren zelfbouwknikkerbaan die wij cadeau kregen van Stephan en Andrea.

237Teun is weer aan het klussen in de cabin van Cathie en Jak – die ons in ruil
daarvoor steeds maar blijven uitnodigen voor dinner parties

236Zo wordt ons kraanwater bezorgd: 4000 liter gefilterd water
uit het grote meer gaat in een grote tank onder ons huis. Dit is Sascha,
de Duitse buurman van Kate & Kate, die dit doet als een van zijn baantjes…

232

226

225

256

222

212En ten slotte: zomaar een avond aan het meer, bij Warm Bay.
Met een kliekje van bisonlasagna.

(Nienke)