Road trip met een kano

Een hiaat in het blog, u moet het ons maar vergeven, want: we waren weer eens met vakantie! De locals hadden ons al tijdenlang aangeraden om eens naar het plaatsje Haines Junction te rijden, in Yukon, aan de voet van het indrukwekkende Kluane-gebergte. Daarvandaan loopt de weg zuidwaarts naar Haines in Alaska, aan de kust. Die weg moet de mooiste in de hele wijde omgeving zijn. Met de ferry kun je dan weer van Haines naar Skagway: een recept voor een geweldige road trip. Normale mensen doen dat in twee, drie dagen (of één – volgens Google Maps is het 7 uur), dus wij dachten: we gaan twaalf dagen. Dan kunnen we onderweg mooi overal stoppen en avonturen beleven. En dat is gelukt!

Haines Jct

Vanuit Atlin reden we eerst naar Whitehorse (30.000 inwoners, de hoofdstad van Yukon). Dat hadden we nog nooit echt goed bekeken, dus we besloten er een dagje te blijven. We logeerden twee nachten in het huis van Cathie en Jak, die op dat moment zelf in Atlin waren. En Whitehorse is leuk! Bol van de goudzoekershistorie. Hier kwamen de mensen tijdens de Gold Rush van 1897-1900 massaal op adem na hun barre tocht over de White Pass. Vervolgens reisden ze dan met een raderboot zoals deze hieronder (de SS Klondike) over de Yukon naar Dawson City, en naar de Klondikerivier met zijn goudbeladen zijarmen.

0009

Whitehorse is overigens vernoemd naar de stroomversnellingen in de Yukon, die met hun wit-schuimende golven doen denken aan de wapperende manen van een wit paard.

Het stadje heeft een erg leuk natuurmuseum, Beringia genaamd, gewijd aan hoe het er hier uitzag ten tijde van de ijstijden. Toen lag de zeespiegel een stuk lager dan nu, omdat er zoveel water was opgesloten in de ijskappen die grote delen van het noordelijk halfrond bedekten. Je kon van Siberië naar Alaska lopen over een brede landbrug, die we nu Beringia noemen. Daar graasden mammoeten en steppewisenten, die werden bejaagd door sabeltandkatten – en, rond het eind van de laatste ijstijd, door de vroege Noord-Amerikanen, afkomstig uit Siberië. Tijdens de voorlaatste ijstijd vond je er reuzenbevers – hieronder op schaal nagemaakt. Die mammoeten op de linkerfoto waren ook een groot succes.

Vlak ernaast was het transportmuseum. Er boeiend om je te realiseren hoe de wildernis stukje bij beetje bereikbaar werd, eerst te voet en per hondenslee, later per boot en trein, toen via de Alaska Highway (wat een project…) en ten slotte per bushvliegtuig. Je ziet ook wat er mis ging – en waarom de bush van Yukon nu nog steeds voor 99% onbegaanbaar is.

En er was een historisch treintje, waar we natuurlijk een ritje mee maakten. Het liep over het smalspoor dat in vroeger tijden het eindpunt was van de White Pass & Yukon Railroad, de waanzinnige spoorlijn door de bergen waar we eerder al een stukje van deden (zie blog ‘Uitstapje naar Alaska’). Nu rijdt er in de stad een 100 jaar oud Portugees wagonnetje overheen, voor de toeristen. Ach ja. Leuk voor jong en oud, dat historische waterfront, met mooi uitzicht op de Yukon.

Lekker uit eten, ook wel weer eens leuk na maandenlang bonen en pasta! De volgende dag verlieten we Whitehorse richting Alaska Highway. Eerst nog even een tussenstop bij het Yukon Wildlife Preserve, een enorm safaripark met inheemse diersoorten. Een beetje gekunsteld natuurlijk, maar in een prachtig landschap – en toch ook weleens leuk om die berggeiten, blue sheep, muskusossen, rendieren en elk (het enorme Amerikaanse edelhert) van heel dichtbij te zien. Ook erg leuk: de grondeekhoorntjes die graag meesnoepten van het voer van de grote grazers. Die piepten steeds tevoorschijn vanonder de voederbakken.

Tijd voor het echte avontuur! In een last-minute briljante opwelling had Teun voor vertrek geroepen: waarom nemen we eigenlijk de kano niet mee? Dus dat deden we, hupsakee op het dak. Dat opende tal van mogelijkheden onderweg. Eigenlijk stond ook peddelen op de Yukon op ons verlanglijstje, maar dat bewaren we voor een volgende keer (als we ons hebben ingelezen over waar de stroomversnellingen zitten). Maar ook halverwege Whitehorse en Haines Junction kun je leuk kanoën. Ook dat was eigenlijk een opwelling. We stonden te kamperen bij Kusawa Lake (zie kaartje), wat op zichzelf een beetje een afknapper was. Prachtig landschap, maar een beetje een redneck-camping waar tot diep in de nacht luide muziek werd gedraaid. Waren we maar gaan wildkamperen! Maar de ranger die langskwam, deed ons een mooi idee aan de hand. Waarom gaan jullie niet een eindje de Takini River afzakken? Die hadden we op de heenweg al zien stromen in een prachtige vallei.

Geweldig idee. Teun bracht de auto hemelsbreed ruim tien kilometer stroomafwaarts (over de kronkelende rivier was de route circa anderhalf keer zo lang) – en rende in sportkleren terug. Had hij meteen zijn trainingsschema afgewerkt.

Een prachtige rivier, die Takini. De buitenbocht is hier en daar uitgesleten in een hoge steilwand van wit zand en grind (zie tweede foto in onderste rij hierboven – als je erop klikt dan zie je hem groter). In de binnenbochten liggen prachtige zompige moerasjes. Het water stroomt behoorlijk hard en is heldergroen. Het is technisch niet lastig varen – je kunt je heel relaxt laten meevoeren. Maar er is één beruchte stroomversnelling, de Jaws. De ranger had nota bene gezegd: die kunnen jullie best varen. Maar bij het beginpunt waren kenners die het ons toch afraadden, zeker met kleine kinderen en met onze loodzware kano die je nooit meer uit het water krijgt als hij zinkt. We gingen, bij het bewuste punt, dus eerst maar even aan land om de Jaws van bovenaf te bekijken. Wat gaaf!! Bij Teun en mij begon het erg te kriebelen. Maar na enig wikken en wegen (samen eraf varen, kinderen bij deze aardige mensen op het strandje achterlaten…?) toch maar besloten de kano langs de stroomversnelling te dragen. Volgende keer misschien!

Teruggaan naar de redneck-camping wilden we niet, dus hup: kampeerspullen in de kano geladen en naar de overkant van de rivier gevaren om daar de tent op te zetten. Fijne beslissing. Heerlijk toch, dat wildkamperen.

0044

En dat gingen we in de dagen die volgden nog eens dubbeldwars beleven. Doel van dit deel van de reis was Kluane National Park, het enorme berggebied dat aansluit op de parken Wrangell-St.Elias (Alaska) en Tatshenshini-Alsek (BC) – die samen het grootste beschermde natuurgebied ter wereld vormen, met 8,5 miljoen hectare. Eindeloze bergen, gletsjers, rivieren en meren, voor het overgrote gedeelte zonder wegen of paden. Hoe dring je daarin door met kleuters? In een kano!

In het bezoekerscentrum hadden we ons daarover laten voorlichten, een permit gekocht en bearproof containers meegekregen om ons eten in te bewaren. ‘Heeft u wel een stevige fourwheeldrive die hoog op de wielen staat?’, vroeg de dame nog. Ja, die hebben we! En dat was maar goed ook, zie hieronder. Het beginpunt van onze kanoroute lag circa 15 km het park in – en da’s op deze manier een uur rijden. Stoer zeg – dat moeten wij die niet van auto’s houden, hier toch even eerlijk opbiechten…

Zo reden we langs de rivier de Dezadeash richting de beroemde Alsek Valley. Ons plan was om vanaf Camp #1 in het kaartje hieronder (de enige plek waar je een boot te water kunt laten) zuidwaarts de Dezadeash af te peddelen, tot waar deze zich bij de Kaskawulsh River voegt. Camp #4, daar wilden we kamperen. Maar tegen de tijd dat wij van start gingen, was het al zo laat dat we al snel inzagen dat we dat op die eerste dag niet zouden halen. Dan maar kijken hoe ver we kwamen. Het werd Camp #2, vier kilometer verderop.

0046

Want: het stormde namelijk behoorlijk – en we hadden de wind pal tegen. Van stroom méé was helaas niets te merken. Hoge golven klotsten soms de kano in, best spannend. Soms kwamen we ondanks keihard peddelen geen centimeter vooruit. Dan maar de boot uit en trekken, in het ondiepe maar ijskoude water!

Maar het was zeer de moeite waard: steeds verder die wildernis in peddelen, terwijl je weet dat je de enige bent die op dat moment een permit heeft voor die hele vallei – en dus alleen bent in een gebied van honderden vierkante kilometers. Nou ja, alleen…

0214

0052

Na twee uur ploeteren hielden we het voor gezien bij wat op onze kaart stond als Camp #2: een schiereilandje. Vanaf de rivier leek het alleen maar ondoordringbaar broekbos te zijn, maar vanuit de baai achter het schiereiland kon je zien dat er een ware kampeeroase achter lag: vlak, droog en vol geurende alsem. Geen vast campingplekje met vuurplaats of iets dergelijks – maar wel het enige kampeerbare stuk grond langs dit stukje rivier. Perfect. Bram helpt mee om de tentjes op te zetten.

De volgende dag bulderde wind nog net zo hard, pal tegen. Dan maar vaak stoppen om even te spelen aan land – en om M&M’s en mueslirepen te snacken!

En dan Camp #4! Wat prachtig! Indrukwekkend hoe die beide dalen bij elkaar komen en dan verder samen de Alsek Valley vormen. Tussen de pluimpjes van de uitgebloeide achtster zetten wij onze tentjes op, aan de rand van de eindeloze vlakte, in de luwte van een morene. Daar hadden we eindelijk rust van de bulderende wind en konden de mutsen af. De kleine mannetjes zagen natuurlijk weer aanleiding om te gaan zwemmen.

De Kaskawulsh is een enorme gletsjerrivier, die vlechtend over een brede grindvlakte stroomt. Dat zie je niet zo vanaf het waterniveau, maar wel als je een eindje de helling op loopt. Dat deden Bram en ik die avond – Bram was niet te stuiten en wilde per se naar de top van de heuvel! Een steile klim, die hij dapper en enthousiast volbracht. Op de linkerfoto zie je rechts in beeld een dennenbosje aan het water – daar ongeveer staan onze tentjes. Van rechts komt de Dezadeash, recht van voren de Kaskawulsh, en samen stromen ze als Alsek verder naar links, uiteindelijk helemaal naar de Pacific. Er zijn mensen die dat raften, in een week of drie! Links zie je Profile Mountain.

Teun maakte die avond ongeveer hetzelfde tochtje, maar verkende niet de heuveltop maar de canyon die erachter lag.

0220

We hadden graag een rustdag willen inbouwen, en een dagje willen spelen op die samenvloeiing van rivieren, maar we wisten niet zeker of we wel in één dag zouden kunnen terugpeddelen naar de auto. En je moet je strikt aan het aantal dagen van je permit houden, anders gaan ze je zoeken met een helikopter. Daarom toch de volgende ochtend de tenten maar weer ingepakt, onder toeziend oog van een slechtvalk die pal onder onze neus een geelpootruiter sloeg.

0221

We gingen natuurlijk wel eerst nog even een ochtendtochtje maken. De Kaskawulsh een eindje opvaren, dat wilden we. Op de stoere rivier zelf maakten we geen schijn van kans, dat merkten we al snel, maar in het aangrenzende vloedbos kwamen we een heel eind. Het smeltwater van de Kaskawulsh-gletsjer stroomde tot voor kort voornamelijk door een ander dal, en deze rivier hier was toen heel bescheiden. Maar door het terugtrekken van de gletsjer verlegde de stroom zich en nu loopt al het water door deze vallei. Daardoor zijn de oeverbossen nu ondergelopen. De bomen zullen vast afsterven, maar nu kun je er nog tussendoor varen. De vegetatie remt de stroming grotendeels, maar het blijft ploeteren. Even aan land kijken, en daarna: wiehoeeee, met de rivier mee terug! Wel uitkijken dat we de bocht niet misten, en verder de Alsek mee ingesleurd werden… maar dat ging goed.

Helemaal in één keer terugvaren lukte inderdaad niet, na deze ochtendexcursie (natuurlijk was de bulderende wind – die we nu in de rug gehad zouden hebben – gaan liggen), dus het was goed dat we een extra dag hadden. Nu konden we rustig aan doen en onderweg nog wat aan land gaan. Vooral als je vijf of zes bent is dat fijn – dan is de aandachtsspanne in de boot niet heel lang. Maar dat is prima.

We kampeerden deze keer illegaal op een plek aan de westkant van de rivier, een kilometer of twee ten zuiden van waar de auto stond. Weer op zo’n prachtige alsemvlakte met wilgenroosjes. Teun zag ’s avonds nog deze jongen – de eerste eland met een fiks gewei. Teun maakte het arme beest zodanig aan het schrikken dat het pardoes vlak langs het kamp galoppeerde, zich luid krakend een weg door de bosjes baande om er vervolgens rennend door het water vandoor te gaan. Nienke zag het niet maar hoorde het wel vanuit de tent. Eerst was dat wat spannend (is het een beer??), maar het luide plonzen in de rivier deed al snel vermoeden dat het om een eland ging. Vervolgens kwam er weer iets aanstruinen, maar dat was Teun. Al met al een bijzondere auditieve ervaring…

De volgende dag nog een stukje peddelen terug naar de auto, en weer lekker fourwheeldriven dwars door de beken. Een prachtige rit met fenomenale uitzichten.

En zo reden we terug naar Haines Junction, waar we ons weer afmeldden bij het bezoekerscentrum. Maar de bearproof containers, die hielden we nog even, en we haalden meteen de volgende permit, want we wilden nog één dagje het park in peddelen, via het schilderachtige Kathleen Lake. Hoe dat afliep, en wat we verder beleefden langs de mooiste highway in de wijde omtrek, en hoe het is om te kanoen in Haines, op zee en met paaiende zalmen op een meer, dat vertellen we binnenkort.

(Nienke)

 

Hier nog wat overgebleven foto’s.

Takini River:

0029

Eerste aanblik van de Kluane-bergen vanaf de Alaska Highway:

0077

Dezadeash Valley:

0073

Bram met zijn geliefde arendveren:

0063

En met beverhoutjes, een andere grote hobby:

0232

Stilleven met kano:

0067

En tot slot Haines Junction – de splitsing van de weg naar Haines en de Alaska Highway naar Anchorage en Fairbanks:

0074

Advertenties

2 gedachtes over “Road trip met een kano

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s